De krant die je leest van A tot Z
Dinsdag 23 oktober, 2018

woensdag 04 juli 2018

Nieuws:

Herinneringen van een Harense Indiëganger

Door: Redactie

Direct na de bevrijding van 1945 op weg naar een nieuwe oorlog…
In Nederlands-Indië sneuvelden Nederlanders ver van huis


Hij is 93 jaar en woont in Haren. Hij was drie jaar als dienstplichtig militair bij de ‘7 december-divisie’ op West-Java om in naam der Koningin te vechten tegen de ‘ongeorganiseerde bende’ (TNI) van Soekarno. Hij leeft nog dagelijks met zijn herinneringen, huilt nog vaak om het verleden. Hij zegt: “Wie het niet heeft meegemaakt kan zich niet voorstellen hoe het was. Niet veel mensen hebben nu nog belangstelling voor alles wat daar is gebeurd?”

Hij wil er wel over vertellen, maar zijn naam ziet hij liever niet vermeld. “Het verhaal is al moeilijk genoeg, want als je het niet meegemaakt hebt, word je vaak niet begrepen”, zegt hij. We noemen hem Willem. Hij was nog maar 21 jaar toen hij als militair werd ingescheept op de “Ruys”, op weg naar West-Java. “We wisten niet veel”, zegt hij. “Alleen dat we Nederlands-Indië moesten heroveren op de ‘rampokkers’ (vaak verkrachters, dieven en moordenaars) van Soekarno. We moesten de kolonie bevrijden van Soekarno en Nederlands-Indië behouden, want daar was natuurlijk veel geld te verdienen. Ik was nog een groentje. Ik interesseerde me alleen voor de vraag hoe ik deze tijd moest overleven. Ik deed het, omdat het moest. En eenmaal op Java kon je niet meer terug.” Reeds na een paar dagen sneuvelde een dienstmaat van Willem, toen die in een hinderlaag liep en op beestachtige wijze werd vermoord.

Angst
Willem heeft van 1946-1949 over heel West-Java gezworven. Hij werd chauffeur en kreeg een oud Engels geweer in handen. Soms stonden voertuigen op blokken, omdat andere voertuigen met de onderdelen rijdend gehouden moesten worden. Als hij het vertelt, ziet hij de film in zijn hoofd en weet nog heel veel details. Dan komen soms weer tranen van machteloosheid. “De eerste tijd was het rustig, de inlanders in hun kampongs waren vriendelijk, maar wij wisten niet of ze te vertrouwen waren. De strijders van de TNI hadden geen uniformen, je herkende ze niet. Je moest altijd inschatten of het goed of fout zat. Een verkeerde inschatting kon fataal zijn. Op een dag reden we met onze eenheid langs een paar verlaten kampongs (dorpjes). Toen zagen we een verse mango-pit op de grond liggen en we wisten dat er dus mensen waren. Opeens barstte een enorme schietpartij los. Ik ging met mijn geweer tussen mijn benen naast mijn auto zitten en kermde: ‘Ik zie Nederland nooit weer’. Het liep goed af en de andere mannen waren niet onder de indruk, die hadden al zo vaak in een vuurgevecht gezeten. Die eerste keer was verschrikkelijk, maar later raakte je er ook aan gewend. Je wordt keihard. We hebben gesneuvelde kameraden vervoerd over zeer hobbelige wegen. Je kunt wel raden hoe die er uitzagen als we ze gingen begraven. En dan hoopten we dat de aalmoezenier of dominee het kort hield, want dan konden we nog een Chineesje of een bioscoopje in de stad pakken. We dachten: vandaag ligt hij hier en morgen lig ik er misschien bij. Het lijkt wel of we koud en kil waren, maar je moet het zien in de context van die tijd. Niets was normaal.”

Dumpen
“Ik was doorlopend alert en gespannen, vooral in de gevaarlijke situaties. Ik moest van de compagniescommandant met mijn 3-tonner door een donker bosgebied 30 kilometer om patrouille te rijden, in mijn eentje. Ik vroeg: ‘Wie krijg ik als bewaking mee?’ Ik kreeg gewoon te horen: als je er over 20 minuten niet bent zien we wel verder. Het zat er vol met vijandelijke strijders en ik voelde me een schietschijf. Ik doofde de koplampen en keek omhoog naar een streep licht tussen de bomen om niet van het pad te raken. Het ging goed, er zat een engeltje op mijn schouders. Veel later, tijdens de eerste politionele actie reed ik met een waterwagen. Als ik pech zou krijgen moest ik op de bezemwagen wachten. Ik kreeg inderdaad pech in vijandig gebied, vlakbij een kampong. Moederziel alleen met een oud geweer. Ik bleef in mijn eentje achter bij een kampong en vroeg me af hoe dit zou aflopen. Na een tijdje kwamen er kinderen aanlopen, later ook vrouwen en mannen. Ik heb mijn hand op mijn geweer gelegd. Ik dacht: de dood of de gladiolen. Ik bleef rustig. Een goede keuze, want ze kwamen me fruit brengen. In weer een andere kampong, tijdens de tweede politionele actie, hielden we de wacht. Opeens kwam er een groep inlanders uit de kampong naar een brug, met tussen zich in twee zwaar mishandelde ‘rampokkers’. Hun oren half afgesneden, een oog eruit, neuzen kapot en vol bloed. Ze waren door hun eigen volk te grazen genomen, omdat ze hadden gestolen, verkracht of gemoord. Ze werden midden op de brug werd gezet, kregen een genadeschot en werden in de rivier werd gedumpt. Ze dreven weg naar de Javazee. De hele dag werd er feest gevierd. Zulke dingen gebeurden. Het deed ons toen niets en dat zegt genoeg over de tijd waarin we leefden.”

Zinloos
Eind 1949 was het voorbij. Nederland gaf de strijd op en er kwamen onderhandelingen in Linggadjati, Indië werd aan Soerkarno gegeven. “Het was een zinloze strijd geweest, dat wisten we”, zegt Willem een beetje mismoedig. “Onze regering heeft ons in een niet te winnen strijd gestuurd. In ons bataljon sneuvelden 28 soldaten. Toch bewaar ik ook veel goede herinneringen aan Java. Wij hadden wel een goede band met inlanders, ik had medelijden met hun kinderen. Ik heb vreselijke dingen gezien, maar heb geen spijt van wat we hebben gedaan. Thuis hoorde ik later verhalen over de politionele acties, die ik niet kan geloven. Alsof de Nederlanders zich als beesten hadden gedragen, daar was bij ons op West-Java geen sprake van. Het doet me pijn dat te horen. Toen wij thuis kwamen moesten we onze uniformen inleveren en als er wat ontbrak moesten we daarvoor betalen. Onze ouders moesten ons van top tot teen in de nieuwe kleren steken. Veel mensen begrepen ons niet, die hadden hun oordeel klaar over wat we daar hebben gedaan. En dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Daarom hoeft mijn naam er niet bij. Het is goed zo”, zegt Willem, oud-Indiëganger van de 7 december-divisie.

Emotie
Na terugkeer stichtte Willem een gezin en begon aan een technische loopbaan in Groningen. Hij bleef daar tot zijn pensioen werken. Hij wil benadrukken dat de gebeurtenissen hem diep raakten. En dat hij nog steeds wordt overmand door emoties als hij merkt dat mensen zich niet kunnen verplaatsen in die tijd, waarin normen en waarden volkomen in de war waren geraakt. “Alles wat we dachten en deden moet je zien in de context van die tijd. Een tijd waarvan men zich geen voorstelling kan maken.”

Geen reacties

Wilt u reageren?




Wij plaatsen alleen inhoudelijke reacties. Reacties met voornamelijk slogans en kreten worden niet gepubliceerd.