Blog (april) over ouderenzorg – door Inge Rinzema, nurse-practitioner
Inge Rinzema is werkzaam bij ZINN (Haren) als nurse-practitioner. Dat werk staat erg dicht bij het werk van de verpleeghuisarts. Met regelmaat publiceert zij een blog met ervaringen in haar dagelijks werk.Met permissie publiceren wij haar verhalen online.
Door Inge Rinzema
Mevrouw W is 94 en heeft al een aantal jaren dementie. Zoals veel mensen met dementie is ze erg mager geworden. Als ze haar eigen spiegelbeeld ziet, is ze niet blij. “Ik krijg een ouwe kop” verzucht ze dan steevast. Ondanks die ouwe kop en haar hoge leeftijd is ze nog erg van het verzorgde uiterlijk. Ze verft haar haren gitzwart, waardoor haar fel groene ogen goed uitkomen. De groene ogen worden dagelijks voorzien van een forse streep eyeliner en een dikke laag mascara. Aan het lijntje is te zien hoe vast haar hand die dag is: soms vast en dus kaarsrecht; af en toe echter bibberig en scheef. Ze maakt het geheel af met felrode lippenstift.
Haar dagelijkse optut-ritueel, zoals ze het zelf noemt, duurt steeds langer. Soms weet ze de volgorde niet meer, soms blijft ze in een handeling steken. De verzorging helpt haar hierbij. Zelfs de broeders op de afdeling worden volleerde visagisten.
Helaas is mevrouw W naast haar dementie ook lichamelijk erg ziek, ze heeft kanker. Van het soort dat zich rap uitzaait. Hieronder weert ze zich kranig, klaagt weinig over de pijn die ze móet hebben.
Haar familie komt vaak langs, de familie is hecht en groot. De onderlinge band is warm en liefdevol, van (stief) kinderen tot oude buurmeisjes, hartsvriendinnen, (achter) kleinkinderen. Ze is dan het middelpunt van de gezelligheid, altijd jolig en vol humor. Haar rol wisselt; van meisje naar moeder, van vriendin naar oma. Aandacht voor iedereen, groot of klein, oud of jong. Vol verhalen die steeds vaker over vroeger gaan, steeds minder over de tijd van nu.
In de laatste weken van haar leven wordt ze stiller. Ligt meer in bed, het zitten doet haar pijn. Met pijnstilling probeer ik haar leven kwaliteit te bieden, het werkt vaak maar even. Ze wordt er misselijk van, raakt meer in de war. Mijn vragen over haar pijn en haar lijden wuift ze weg: “Ach kind, ik red me wel. Ik ga nog lang niet dood hoor.”
Met haar kinderen spreek ik over de terminale fase die ze nu is in gegaan; we praten over wat mevrouw W wel en niet zou willen. Kwaliteit van leven; dat vooral wel. Lijden absoluut niet; geen onverdraagbare pijn, benauwdheid of angsten. De kinderen laten zich gerust stellen; lijden hoeft niet. We kunnen haar goed ondersteunen met medicatie als het zover komt, als het punt van ondraaglijk en onbehandelbaar lijden daar is. Samen met haar dochter praat ik hier met mevrouw W over. Dat als ze pijn heeft, dat dit niet nodig is. Ik leg uit dat we haar als de situatie ondraaglijk wordt, in slaap kunnen brengen, zodat ze niet meer lijdt. Of het tot haar door dringt weet ik op dat moment niet. Ze kijkt ons aan, lacht wat. Antwoord krijgen we niet.
Dan hoor ik dat ze zich al een paar dagen niet meer opmaakt. Ik bezoek haar in haar kamer. Ze ligt in haar bed bij het raam, genietend van de lentezon. Haar gezicht verkrampt van de pijn. Volgens de verzorging is ze erg verward, van de wereld haast. Ik ga bij haar zitten, pak haar hand. Haar groene ogen kijken me recht aan: ze is er even helemaal; haarscherp, volledig in het hier en nu. Uit het niets begint ze te praten.
“Volgens mij ben ik een goede moeder geweest, denkt u niet?” Ik geef haar volmondig de bevestiging die ze duidelijk zoekt. “Mijn kinderen zijn gelukkig, zijn goed terecht gekomen” Opnieuw een vragende blik uit haar heldere groene ogen. Weer zeg ik uit de grond van mijn hart “Ja!” “Komt vast omdat ze zo’n goede moeder hadden” merk ik op. Ik krijg een aai over mijn wang. Ze kijkt me aan en zegt: “Geef me dan nu maar wat om te slapen: zodat ik de pijn niet meer voel.” Ze doet haar ogen dicht, draait haar gezicht naar het zonlicht en spreekt niet meer.
Met haar kinderen bespreek ik, samen met mijn achterwacht (specialist ouderengeneeskunde) dat het moment van starten van palliatieve sedatie daar is, zodat ze de slaap zal krijgen die ze zo wenst. Een uurtje voor het starten daarvan loop ik nogmaals bij haar langs. Ze ligt rustig, heeft haar ogen dicht, ze zijn zwart omlijnd. Zo begint ze uiteindelijk aan haar laatste diepe slaap: een flauwe glimlach om haar mooie rode lippen, strak zwart lijntje op haar ooglid, wimpers goed in de mascara gezet. De broeder van de late dienst heeft zijn best gedaan.
Ze wordt na haar overlijden op haar kamer opgebaard. In het bed bij het raam, waar de lentezon schijnt. Als ik afscheid van haar neem, ligt ze er prachtig bij. Zwart haar, serene gelaatstrekken op haar gezicht. Ik vang een glimp op van het meisje dat ze ooit was. Meisje, vrouw, hartsvriendin, echtgenote, moeder, oma. Een hele goede; dat was ze.
2 reacties