Column Hein Bloemink (september 2016)
Doktersroman
De patiënt heet Haren en ligt in bed aan het infuus. Dr. P. Brouns en dr. M. Verbeek komen aan het bed staan. “Crisis! Ik vrees dat deze patiënt gaat overlijden”, zegt dokter Brouns. “Ik zal hem aan de beademing leggen. Als hij het overleeft zal hij niet meer zelfstandig kunnen wonen.” Dokter Verbeek fronst misprijzend. “Niks ervan. Deze patiënt gaat goed vooruit, hij zal spoedig weer beterr zijn en naar huis kunnen.” Dokter Brouns zucht een diepe zucht. “Hoe kunt u dat zeggen collega. Kijk eens naar de bloedwaarden, die zijn dramatisch laag. Als ik niet ingrijp gaat hij dood.” Dokter Verbeek schudt het hoofd: “Ik zie die bloedwaarden ook wel hoor, maar die zijn niet dodelijk. Deze patiënt kan ik binnen een jaar genezen. Die wordt weer kerngezond!” Dokter Brouns’ geduld is op. “Collega Verbeek. Deze patiënt gaat vandaag nog per ambulance naar het ziekenhuis in Groningen, ik vertik het om hem hier zieltogend achter te laten om te sterven.” Op dat moment stormt dokter Biezeveld binnen: “Verbeek heeft gelijk. De patiënt is sterk genoeg om te overleven.” En daar komt warempel dokter Den Oudsten: “Dokter Brouns ziet het goed, ik neem de patiënt direct mee. Anders gaat het fout!” De discussie wordt ruzie. Familie van de patiënt voert op de gang verhitte debatten, omdat ze niet precies meer weet welke dokter ze moet geloven. Iedereen wil dat Haren het overleeft, maar hoe? Intussen ademt de patiënt zwaar. Maar niemand die het nog hoort. Dan zwaait de deur open en wordt iedereen stil. Statig loopt daar Dé Professor binnen, alwetend. Zijn woord zal de bijl zijn die de knoop doorhakt. Zijn beslissing zal worden gevolgd. Vraag is: Wie zal Dé Professor zijn?
Hein Bloemink
4 reacties