“Lada die, Lada da”, column door Inge Rinzema
Column door Inge Rinzema, verpleegkundig specialist bij ZINN Ouderenzorg (Haren, Hoogezand, Groningen).
Mevrouw van Bruggen, Dina zoals we haar noemen, woont op één van mijn woongroepen voor dementerende ouderen. Ze woont al geruime tijd bij ons, zo’n vier jaar.
Dina zit nooit stil. Ze loopt per dag zo’n vijf km aan rondjes over de afdeling, die ze meestal zingend aflegt. Ze zingt dan bij voorkeur oude Nederlandse liedjes. In elk liedje zit haar eigen refrein: “Lada die, Lada da.” Ze zingt al lopende achter haar rollator, waar ze in het mandje drie knuffels heeft die overal met haar mee naar toe gaan: een pluizig wit hondje, een bruin tijgertje en een zwart, ietwat ondefinieerbaar beest dat haar favoriet is. Terwijl ze zingt, wiegt ze met haar hoofd heen en weer op de maat van de bijbehorende muziek die zij alleen kan horen. Als ze even niet loopt, zit ze in een stoel op de gang, waar ze alles en iedereen aanschouwt en van commentaar voorziet.
Tot een jaar geleden was dit commentaar nog verstaanbaar: van grappig en liefdevol tot soms erg vilein. Maar altijd legde ze haar vinger op de zere plek van de persoon die ze voor zich had: goudeerlijk als ze is. Inmiddels is het iets minder verstaanbaar geworden, de dementie legt haar woordenschat steeds meer lam.
Haar handen bewegen voortdurend: plukkend en trekkend aan haar kleding, de stoel waar ze in zit. Soms plukt ze aan degene die naast haar zit, wat uiteraard de nodige discussie oplevert. Bij voorkeur peutert ze aan haar eigen gezicht of aan haar eigen handen. Elk minuscuul velletje, wondje of ruw plekje op haar huid moet er aan geloven: het moet eraf. Volgens haar echtgenoot en haar dochter deed ze dit altijd al, ook toen ze nog niet dementerend was. Met dit verschil dat ze vroeger nog wist tot hoe ver ze door kon peuteren, trekken en bijten aan dergelijke velletjes en plekjes. Dat besef is ze door de dementie kwijt geraakt. Ze gaat nu soms letterlijk tot het gaatje en dat levert af en toe akelige infecties op. Infecties aan haar huid, en soms aan dieper liggend weefsel.
Soms valt Dina, al zingend en hoofd wiegend. Dat loopt over het algemeen goed af, maar vorige zomer brak ze daarbij haar linker pols.
Dit gebeurde op een maandagavond: Dina werd door mijn dienstdoende collega ingestuurd naar het ziekenhuis voor nader onderzoek. De pols bleek gebroken: er werd een prachtig circulair gips aangelegd, waarna Dina terug mocht naar huis.
Dinsdagochtend werd ik gebeld door de verzorgende die op Dina’s groep werkte. Ze had haar ’s ochtends wakker gemaakt voor het ontbijt en toen ontdekt dat het gips niet meer om de linker pols zat.
Dina was oprecht verbaasd: wist van geen gips. Uiteindelijk troffen we de gipskoker aan onder haar bed, aan de randjes een klein beetje losgepeuterd maar verder in tact. De linker pols deed wel veel pijn: die hield Dina angstvallig vast met haar rechterhand.
Ik belde met het ziekenhuis: met de dienstdoende orthopeed. Hij was verbaasd, maar kon er om lachen. “Stuur haar maar, dan doen we er een nieuw gips om. We zullen zorgen dat het goed aansluit, zodat mevrouw het er niet weer zelf af kan krijgen”. Zo gezegd, zo gedaan: Dina ging opnieuw naar het ziekenhuis en kwam terug met gips om haar linker pols, een rode deze keer. Ze vertrok zingend van de afdeling richting ziekenhuis en kwam weer zingend terug. Onzin vond ze het allemaal wel.
Woensdagochtend keek ik in haar kamer om het hoekje. Ze lag nog lekker te slapen, maar merkte toch dat de deur openging. Ze deed één oog open en zei: “Moi wicht!”. Ondertussen rekte ze zich heerlijk uit. Haar rechterhand kwam van onder het dekbed tevoorschijn, en daarna haar linker. Ze zwaaide naar me. Het duurde even voordat ik het besefte, maar toen zag ik het, geen gips!
“Dina, hoe gaat het met je linkerarm?” vroeg ik. Ze keek me vragend aan en zei: “Goed?”. Ik zag de vraagtekens in haar ogen. “Waar is het gips dat om die arm zat?”, vroeg ik, wijzend naar haar linker pols. Dina keek me nogmaals aan, dacht even na. “Gips?, Had ik gips?”. Daarna zag ik het kwartje vallen. “O dat gips? Ja, dat. Die heb ik even daar neergezet”. Ze wees naar een laag kastje tegenover haar bed. Omdat het donker was in haar kamer, deed ik, met haar toestemming, het gordijn een stukje open. Het zonlicht viel op het kastje dat ze aanwees. En ja hoor: midden op de kast stond de rode gipskoker. Ze had hem rechtop gezet, als een soort trofee. Hij was deze keer echt helemaal in tact: geen stukje ontbrak.
Ik keek haar verbluft aan: hoe kan dat nou? Ik stak m’n eigen linkerhand in de spalk, dat lukte met enige moeite. Hij was dus absoluut niet te ruim geweest. Het had een hoop gepeuter, gewrik en geduld gekost: maar het was Dina in de nacht gelukt om haar gips te verwijderen. Haar linker pols had geen extra schrammetje van deze actie gekregen. De stand van de pols zag er wel pijnlijk uit: ook nu ondersteunde Dina haar linker pols met haar rechterhand.
Ik overlegde met dezelfde orthopeed als de dag ervoor. “Hadden wij gisteren niet al contact over deze mevrouw?”. Ik hoorde de verbazing en tevens de grijns in zijn stem. In overleg met haar dochter, besloten we dat er niet nog een gips aangelegd werd. Ze zou hem er toch weer af peuteren, het zou in haar vastberadenheid ongetwijfeld een derde keer lukken.
De breuk in de pols genas ook zonder gips. Dina heeft ongeveer twee weken de pols met haar rechterhand ondersteund, als een soort levende gipsspalk. Ze liep desondanks nog steeds, wiegend en zingend. Met af en toe een kleine onderbreking in haar loop of zang. “Au” klonk het er dan even doorheen. Waarop ze haar linkerhand ondersteunde, even diep zuchtte en daarna weer doorliep. “Lada die, Lada da.”
© Inge Rinzema 2016

Geen reacties