Geloofscolportage
Ik had ze al aan de overkant van de straat zien lopen; twee oudere mannen, platte tas onder de arm en ouderwets somber maar netjes gekleed. Een man met een platte tas afficheer ik altijd met een deurwaarder, maar die komt meestal alleen. Lachen doen ze niet, kunnen ze niet en van een ander waarderen ze het niet. Voor een dergelijk beroep kan je eenvoudigweg geen gevoel voor humor hebben; als je dat hebt ben je plooibaar, kan je je inleven in een ander en dat moet juist niet. De boodschap die ze brengen is zeker niet vrolijk, maar ook een slechte boodschap kan je toch best opgewekt en vriendelijk brengen? Ik hoopte dat ik ze zou kunnen negeren door zeer voorover gebogen en geconcentreerd mijn werk in de tuin te doen. In mijn ooghoek zag ik ze het pad oplopen. “Goedemorgen meneer, wat zijn wij aan het doen?” Alleen al die openingszin deed mijn tenen krommen en ik besloot bot maar toch vriendelijk tegen ze te zijn. “Geen idee wat jullie aan het doen zijn,” antwoordde ik. De toon was gezet en een zure blik mijn deel. Ze kwamen een boodschap van Jezus brengen, waarop ik zei dat ze maar moesten aanbellen, wetende dat er verder niemand thuis was. Na enkele keren vergeefs gebeld te hebben richtten ze zich maar weer tot mij. Ze kwamen de boodschap van Jezus brengen zeiden ze goed geprogrammeerd opnieuw. Zet maar bij de deur, dan vinden ze hem wel als ze thuis komen zei ik. Ik kon duidelijk zien dat de man die steeds het woord gevoerd had, last van een snel oplopende bloeddruk kreeg. Mogen wij u wat vragen? Vroeg hij met de moed der wanhoop in een laatste poging God ’s zaad nog te kunnen zaaien. Ik voelde dat ik aan de winnende hand was en antwoordde. Hou het kort, want ik ben Moslim en moet zo bidden. Verbijsterd keken ze mij aan. En bij de buren hoeft u het ook niet te proberen hoor, dat zijn afvallige homofiele Joodse negers, die zijn overal tegen, zei ik zo serieus mogelijk kijkend. Het leek wel of ze tot hun knieën in het grind gezakt waren, zo moeizaam liepen ze weg. De buren sloegen ze over.
Toen ik een jaar of vijf was herinner ik mij, was er een vergelijkbaar setje dat probeerde mijn vader in de voortuin van hun geloof te overtuigen. Ik wist toen al dat het moeilijk zou worden, mijn vader van iets overtuigen en al helemaal op het gebied van geloof. Mijn moeder kwam uit een groot katholiek Brabants gezin en had haar geloof na een eerste kennismaking met mijn vader al afgezworen. Na enige volzinnen van de opdringerige geloofsverkondigers, waarbij ik in mijn kinderlijke onschuld dacht dat ze het over Kerstmis hadden, schoot het mijn kort aangeboden vader in het verkeerde keelgat. De lieden op luide toon overstemmend zei hij de voor mij legendarische woorden: “Ga naar huis en pies de kachel uit “. De gleufhoeden keken elkaar verbijsterd aan en bleven als aan de grond genageld staan. Ik begreep er niets van, zo had ik mijn vader nog nooit horen praten. Cees, haal jij de hond even uit het hok? , zei mijn vader zich naar mij omdraaiend. Ik rende weg, mijn vader trouw gehoorzamend, maar al rennend drong het tot mij door dat wij geen hond hadden, alleen een kat en die zat zeker niet in een hok. Vanachter het gordijn in de woonkamer gluurde ik naar buiten om te zien wat er gebeurde en zag dat de geloofscolporteurs nét iets te snel om niet hun waardigheid te verliezen de oprit afliepen en uit het zicht verdwenen. Ook toen al vroeg ik mij af waarom die mensen dat in hemelsnaam doen. Niemand zit op je te wachten of vind je aardig. Niemand wil jouw mening opgedrongen krijgen. Dat geldt uiteraard ook voor alle andere opdringerige bevlogenen die er enkel op uit zijn zieltjes te winnen. Voor al die aanhangers van politieke partijen en actiegroepen geldt: laat mij met rust. Ik val jullie ook niet lastig; respecteer de mening van een ander en rot op.
Cees Bosman, december 2011. Reageren? cornelisbosman@hetnet.nl
7 reacties