De krant die je leest van A tot Z
Vrijdag 12 Juni, 2026
Deze post is bekeken 91 keer.

donderdag 01 januari 2009

Nieuws:

Columns Hein Bloemink archief 2005 – 2008

Door: Redactie

Magiërs

Als het om geldzaken gaat ben ik lui, laf en dom. Geld is voor mij slechts een ruilmiddel en geen lustobject. Mensen die zeggen dat ze geld kunnen laten ‘groeien’ met ingewikkelde constructies zie ik als magiërs. Geld is gewoon dood materiaal en kan dus niet groeien. De enige magie waarin ik geloof is dat ik geld ontvang als beloning voor een geleverd product of geleverde arbeid. Het is dus niet vreemd dat ik een hekel heb aan beleggen en dat soort ongrijpbare zaken. Tot een paar jaar geleden belegde ik maar in één fonds en dat was mijn spaarrekening. Altijd 4% rente, niks aan de hand, geen gedoe, geen onrust. Totdat een magiër van mijn bank vertelde dat ik beter mijn maandelijkse storting kon doen in ‘een globaal aandelenfonds’, waar zij het zouden laten groeien met meer dan 4%. En dat fonds zou uitkeren als ik 57 jaar wordt, zodat ik een dagje minder hoef te gaan werken. “Nou, toe maar dan”, heb ik gezegd. En zo werd ik verleid tot iets wat mij tegenstaat. Jaren heb ik maandelijks gestort in dat ‘globale fonds’ en ik zag iedere maand het gespaarde kapitaal kleiner worden. “Zie je wel”, dacht ik. “Een oude sok is veiliger!”. Dus heb ik de boel stopgezet bij een ‘stem’ van een callcenter. Die ‘stem’ legde me twee dingen uit: Hij zei dat ik wel kon vergeten dat dit ‘globale fonds’ op mijn 57e zou uitkeren, door veranderde wetgeving. En hij legde uit dat ik zowat de helft moest betalen aan de belasting, als ik het gespaarde bedrag weer op mijn spaarrekening wilde zetten. Gelukkig was er een oplossing. Als ik het gespaarde bedrag op een speciale nieuwe spaarrekening zou zetten, zou het weer ouderwets blijven staan met 4% rente. Maar er was wel een adder onder het gras. Ik mag pas in 2026 (!) aan dat geld komen en uitsluitend in vijf jaarlijkse porties opnemen! Pas in 2031, als ik 70 ben, heb ik mijn geld heroverd. Had ik mijn oude sok maar vastgehouden toen die bankjuffer me ompraatte. Dat had me onrust, ergernis en geld bespaard. Mijn advies aan u als het om geldzaken gaat: blijf lui, laf en dom. Dan word je slapend rijk!

Hein Bloemink
december 2008

Overdosis

De verkiezingen voor de waterschappen kunnen zich meestal niet verheugen in grote belangstelling van de kiesgerechtigden. Van 13 tot 25 november kunnen we weer stemmen op watermanagers en om het de kiezer gemakkelijk te maken mag er per post worden gestemd. En zelfs dat is niet genoeg om tot hoge opkomstpercentages te komen. Het kiesrecht is het uithangbord van de democratie. Maar met de waterschappen wordt het kiezersinstinct kennelijk niet aangesproken, bij mij ook niet. Ik ga dan ook niet mijn stem uitbrengen, zelfs al kan dat per post. Ik vroeg mezelf af waarom. Ik vind de waterhuishouding natuurlijk heel belangrijk. Maar ik heb op geen enkele manier het gevoel dat het ertoe doet of Jan, Piet of Klaas verantwoordelijk is voor sluizen, gemalen en sloten. Ik vertrouw erop dat zowel Jan, Piet als Klaas weten hoe zij het water onder controle kunnen houden. Net zoals ik erop vertrouw dat de politie de juiste agenten op straat stuurt. Net zoals ik niet wens te kiezen welke aannemer de straat asfalteert. Ik wil ook helemaal niet kiezen welke commandant de brandweer aanstelt en ook niet welke deskundige zorgt voor nieuwe kruispunten en verkeerslichten. We leven in een welvarend land, waar we overvoerd worden met keuzemogelijkheden. Eigenlijk ondergaan we iedere dag een overdosis aan kiesrecht. Welke supermarkt, welke provider, welk reisbureau, welk verpleeghuis, welke website, welk ziekenhuis, welke specialist, welke behandeling, welke verzekering, welke auto, welke kerk, welk winkelcentrum, welke bank, wel of geen codicil, wel of niet in het elektronisch patiëntendossier, welke makelaar, welk tankstation, welke gemeenteraad, cremeren of begraven, welk gemeentehuis, welke opleiding? Als iedere keuze een pil was, zouden we nu zwaar onder de medicijnen zitten. En overdosis leidt tot immuniteit. Waar men vroeger smeekte om kiesrecht, wordt het nu een last. We worden democratisch gezien loom en lui. Zo lui, dat de waterschappen ons zelfs de gang naar de stembus moeten besparen. Vanuit onze luie stoel kan ik stemmen en ik doe het nog steeds niet. Ik zou de waterschappen willen adviseren: stop deze heilloze missie. Het is trekken aan een dood paard. In 2004 stemde 23%. Pak het signaal op. Maar liefst 77% vindt het dus ‘wel best’. Zo bezien kunt u dus gerust uw gang gaan, ook zonder onze stem. Want 77% staat achter u. Ons vertrouwen is groot, en laat ons verder maar even met rust.

Hein Bloemink november 2008

Geboortedorp

Zomaar een paar plaatjes uit mijn jeugd. De lichtblauwe Ford Cortina wordt in 1969 door mijn moeder geparkeerd in de Kerkstraat waar het niet mag. Ze haalt medicijnen voor mijn zusje dat met vliegende koorts in bed ligt. Ik zit klein en stil te wachten in de auto als een agent op het raampje tikt. Hij zegt dat de auto fout staat geparkeerd. Mijn moeder komt net aanlopen met krachtige tred. Ze krijgt het aan de stok met de diender die maar liefst twee bekeuringen wil uitschrijven, want ze had haar rijbewijs ook niet bij zich. Toen het drama ten einde was reed mijn moeder venijnig vol gas weg en schreeuwde schel: “Harense klootzakken! O God, wat zijn dat hier een klootzakken!” Ik schrok, ik had mijn moeder nog nooit zo kwaad gezien en sidderde van angst, daar in de Kerkstraat. Die herinnering galmt na als ik nu door de Kerkstraat fiets. En dan: Het is 1968 en ik trap op mijn fietsje langs de Rijksstraatweg naar huis. Ik kom van de Sint Nicolaasschool. Onder de kastanjeboom aan de Rijksstraatweg (tegenover nummer 240) zie ik iemand liggen, er staan mensen omheen. Een ongeluk. Mijn hart bonkt in mijn keeltje als ik zie dat het mijn oudere broertje is, met zijn wielrenpetje (Peugeot) nog op. Mijn moeder komt aanrijden in haar witte Fiat 500, laadt hem in en rijdt naar huis. Dokter Luteijn (door mijn ouders ‘Bram’ genoemd) is al gewaarschuwd en ik hoor hem op de gang zeggen: “Zware hersenschudding”. Die avond ben ik boos, want op het NTS-journaal geen woord van Frits Thors over mijn broertje, dat van zijn fiets was gevallen. Ik denk eraan als ik over de Rijksstraatweg langs die kastanjeboom rijd. En nu 2008: Dokter Ebelsweg in Haren. In mijn kindertijd was dit de route naar verre vakanties in Italië en Oostenrijk. Nu is daar begraafplaats Harenerhof, met een gedenksteen voor mijn ouders. Lange levens, verstild onder een steen tussen bloemen. Ik denk aan ze, als ik er even op een bankje ga zitten. Als je, zoals ik, blijft wonen in je geboorteplaats, wordt zo’n dorp een vingerafdruk. Een soort persoonlijk geschiedenisboek. Aan plekjes kleven verhalen, herinneringen en emoties, die de tijd overbruggen. Iedere dag wordt een nieuwe bladzijde in dat boekje geschreven tot aan mijn laatste ademtocht. Wonen in je geboorteplaats is een voorrecht. Daarom houd ik van Haren.

Hein Bloemink
november 2008

Warenhuis

In het centrum van Haren zijn ruim honderd winkels gevestigd. Zij hebben welbewust hun winkel gevestigd in de omgeving van andere winkels en niet op de prairie. Veel winkels bij elkaar hebben namelijk een grote aantrekkingskracht op de consument. Winkelen in een dorp is efficiënt en gezellig. In 1926 hebben winkeliers in Haren besloten samen te werken en richtten de handelsvereniging op. Nu bestaat er, in een andere vorm, nog steeds een handelsvereniging: Ondernemend Haren. Die houdt zich ook bezig met winkeliersbelangen. Hoofddoel is dat winkels samenwerken om het de consument naar de zin te maken. Sterker: zij moeten de consument verleiden om inkopen te doen in Haren en niét in omliggende plaatsen. Persoonlijk zie ik Haren als één groot, prachtig openlucht warenhuis. Van een handelsvereniging verwacht ik dat die het publiek binnenlokt en dat het die consument aan helemaal niets ontbreekt op het gebied van parkeren, comfort en gezelligheid. Pas als de consumenten eenmaal in Haren zijn beland, kunnen ze klant worden van individuele winkels. Winkeliers kunnen dus niet zonder een handelsvereniging. Zo simpel is het volgens mij. De handelsvereniging in Haren zet zich in voor promotie-activiteiten in het winkelhart Haren en heeft daarvoor geld nodig. Welnu, daar begint de ellende. Ongeveer 30% van de winkels in Haren heeft redenen zich niet aan te sluiten bij de club. Dat is ieders goed recht, maar leidt tot irritatie bij leden die wél hun financiële steentje bijdragen aan het dorp. En die irritatie leidt weer tot leden die opzeggen met de woorden: waarom ik wel en hij niet? Die discussie is van alle tijden en van alle dorpen. In Haren wordt die nu even heel zichtbaar, omdat de handelsvereniging overweegt volgend jaar niet meer te investeren in feestverlichting. Té weinig bedrijven moeten de hoge kosten dragen, is het argument. Enzovoort, enzovoort! Hier komt nooit een einde aan, vrees ik. Zeker doordat veel grootwinkelbedrijven een lange neus maken en uit principe niet meebetalen. Ik pleit daarom voor een promotiefonds ‘Winkelen in Haren’. De gemeente, als belanghebbende bij een gezonde lokale economie, gaat dat fonds vullen met geld. Dat geld incasseert men bij alle winkelbedrijven binnen het centrumgebied in de vorm van een ‘verplichte promotieheffing’. Het fonds wordt beheerd door het bestuur van de handelsvereniging. De hoofdelijke bijdrage kan met 40% omlaag, omdat iedereen meebetaalt. De irritatie verdwijnt, de solidariteit verschijnt en….de feestverlichting zal eeuwig stralen!

Hein Bloemink
oktober 2008

Geslacht

De afgelopen twee maanden ben ik er twee keer ingetuind. Ik interviewde mensen, die mij in het laatste kwartier van het gesprek vertelden dat zij een geslachtsverandering hadden ondergaan. Getver! De eerste keer was het een man, die me vertelde als meisje te zijn geboren. De tweede keer was het een vrouw, die vertelde ooit een jongetjes te zijn geweest. In beide gevallen had ik niet het geringste vermoeden gehad en ik betrapte me erop dat ik me ‘gepakt voelde’. Ja, een beetje belazerd! Het liet me niet los en ik vroeg me af waarom ik het gevoel had dat iemand me iets op de mouw had gespeld. Die irritatie vind ik bij nader inzien misplaatst en onterecht. Laat ik dat maar even uitleggen. Over het algemeen vind ik het plezierig om mensen te ontmoeten die zichzelf zijn en geen rol spelen. Liever naturel dan namaak, zo zou je mijn voorkeur kunnen samenvatten. Als ik iemand spreek die zich groter voordoet dan hij is, bijvoorbeeld als zakenman, word ik cynisch. Een knaapje van twintig dat in een maatpak met roze stropdas naar een nieuwe BMW slentert vind ik verdacht en ongeloofwaardig. Een dame met plamuur, die uit de hoogte doet omdat haar echtgenoot een hoge functie bekleedt? Ik word er balsturig van. Iemand die zich anders voordoet dan hij is bewijst daarmee volgens mij, dat hij niet content is met zichzelf. Met andere woorden, hij ziet ’s ochtends boven de wastafel zijn spiegelbeeld, wil eigenlijk iemand anders zijn en zet vervolgens zijn ‘masker’ op. Als ik mijn eigen redenering volg zou iemand dus moeten proberen zichzelf te zijn en het ‘masker’ moeten afleggen. Wie dat kan is sterk en verdient respect. Terug naar de personen waarmee ik deze column begon. Zij waren niet content met zichzelf en hebben daaraan de uiterste consequentie verbonden. Zij lieten zich ‘ombouwen’ en gingen daarvoor door diepe dalen en depressies. Zij bleken sterk genoeg en hebben veel moeten overwinnen om hun ultieme geluk te bevechten. Zij wierpen als het ware door hun geslachtsverandering hun ‘masker’ af. Hoe kan ik daar dan geïrriteerd door zijn? Hoe kan ik me dan belazerd voelen? Hoe kan ik dat thema ‘gelachtsverandering’ dan instinctief als ‘getver’ ervaren? Ik weet het ook niet. Wat ik wel weet is dat het leven niet zwart en wit is, maar duizend kleuren kent. Dat erkennen geeft me rust.

Hein Bloemink, september 2008

Meesterlijk

De zorgsector is een dankbaar slachtoffer van kritiek. De zorg is Kop van Jut. Omdat zorg direct te maken heeft met kwetsbaarheid zijn we zeer kritisch op zorg. Soms wordt de zorg volkomen ten onrechte te schande gemaakt. Vaak door mensen die zelf tekort schieten in aandacht voor hun naasten. Die compenseren dan hun eigen falen door vol emotie kritiek te leveren op zorg. In die context wil ik graag wat tegengif toedienen. In verpleeghuis De Dilgt in Haren kwam ik het volgende tafereel tegen. Op een afdeling voor dementerenden trof ik twee broze, oude dames aan. Ze zaten naast elkaar op de rand van een bed. De ene dame prevelde onverstaanbaar en verward, de andere dame sloeg de arm om haar heen en suste: ‘Toe moar laiverd’. Ik hoorde van verzorgenden het verhaal achter dit beeld. Het gaat om twee gezusters van rond de negentig jaar, die hun hele leven ongetrouwd waren gebleven en nooit van elkaars zijden waren geweken. In oost-Groningen leefden ze samen, bijna negentig jaar lang. Bezoek hielden ze liever buiten de deur: “Want daar komen meestal moeilijkheden van”, zeiden ze. Enige tijd geleden begon bij de ene dame het proces van de aftakeling, waardoor de rolverdeling tussen beiden op een natuurlijke wijze veranderde. Gelijkwaardigheid werd afhankelijkheid. De ene zus werd mantelzorger. Hecht en onafscheidelijk. Zonder veel woorden. Het instituut dat beoordeelt of (en welke) zorg men nodig heeft, heeft een meesterlijke zet gedaan. Hoewel slechts één van deze dames in aanmerking kwam voor opname in een verpleeghuis, gaf men een ‘toegangsbewijs’ voor beiden. Samen ging het koppel naar De Dilgt. Daar deed de afdelingsleiding óók een meesterlijke zet. Men schipperde met de ruimte, zodat de gezusters samen op één kamer konden wonen. Tenslotte was er een verzorgende op de werkvloer die de derde meesterlijke zet deed. Zij heeft de situatie tot in de kern begrepen en heeft, tegen de gewoonte in, de twee bedden aan één wand en tegen elkaar aan geplaatst. Aldus werd het gevoel van thuis nagebootst. Veilig, tegen elkaar aan, zoals altijd sinds mensenheugenis. Opgeteld: drie meesterlijke zetten van de zorg. Het resultaat is dat de twee gezusters nu samen op de rand van dat bed zitten. De ene prevelt, de ander sust. De laatste fase van twee mensenlevens is waardig begonnen.

Hein Bloemink september 2008

Reanimeren

Ophef over een zorginstelling te Amersfoort. Daar zou men bewoners de keuze voorleggen of men in geval van nood gereanimeerd wenst te worden of niet. Bij ‘geen antwoord’ reanimeert men in principe niet. Ik heb zelden zo’n keurige en heldere huisregel gezien over zo’n belangrijk onderwerp! Een verademing in de zorg, waar in het algemeen wordt geprobeerd om zaken juist ingewikkeld te maken door regels, protocollen en ethische discussies. Het is vaak de buitenwacht die beledigd is, want mensen in de zorg zelf gaan dagelijks om met dilemma’s en vragen over leven en dood. En de mensen om wie het gaat (ouderen) snappen precies wat er wordt bedoeld. Ook in de bekende zorginstellingen in Groningen en Haren is het een goede gewoonte om met mensen afspraken te maken over reanimeren en medisch handelen in het algemeen. Een verpleeghuisarts vertelde me dat er zelfs wordt afgesproken of bij oude (soms demente) mensen nog wel alles uit de kast gehaald gaat worden bij een longontsteking of andere ernstige aandoening. Wel of niet naar het ziekenhuis? Middelen zijn soms erger dan de kwaal en het resultaat is vaak deprimerend. Een mens wordt oud en gaat nu eenmaal dood. In de ouderenzorg worden daarover afspraken gemaakt, zoals in de kinderopvang afspraken worden gemaakt normen en waarden op de glijbaan. In ouderenzorg wordt gevraagd ‘Laten we u gaan als de tijd komt, of halen we u kunstmatig terug?’ zoals een tandarts vraagt of hij die kies nog wel zal behandelen of zal vervangen door een kroon. Het is irritant dat de buitenwacht met lange tenen plotseling moralistische alarmbellen laat rinkelen als in de ouderenzorg nu eens helder wordt gecommuniceerd over leven en dood. Door moord en brand te schreeuwen ontstaat het beeld dat in die zorg immoreel wordt omgegaan met belangrijke thema’s . Dat zal deze sector kopschuw maken. Wat mij betreft legt de zorginstelling waar ik in 2036 word opgenomen mij een formulier voor met keuzevragen: Wilt u bruin of wit brood? Bruin. Wilt u wekelijks naar de kapper? Nee, maandelijks. Wilt u gereanimeerd worden? Ja, graag. Heldere taal. Het zal juist de oeverloze discussie voorkomen die de zorg in een beklemmende wurggreep heeft.

Hein Bloemink, augustus 2008

Lijfspreuk

Mijn vader had een lijfspreuk: “Alles is beeld van eigen ontroering” . Ik geloof dat hij die wijsheid weer als een soort estafettestokje had overgenomen van zíjn vader. Wij zijn dus de derde generatie die ‘iets’ hebben met deze woorden. We hebben dit zinnetje zelfs laten graveren in de gedenksteen van mijn ouders op de Harenerhof. Als dit zinnetje u helemaal niets doet, wordt daarmee de kern van haar waarheid bewezen. Door een wonder van de natuur heeft ieder mens namelijk zijn eigen, unieke gevoelige plaat. Mij doet muziek van Liesbeth List niet veel, maar toen ik Summertime hoorde in de versie van de Afrikaanse zangeres Angelique Kidjo werd ik direct in het hart geraakt. Dit proces kun je ook toepassen op de duizenden impulsen die je dagelijks te verwerken krijgt. Tijdens ontmoetingen met mensen en ook met kunst. Ieder mens heeft zijn eigen decoder, die waarnemingen omzet in emoties als: voorkeuren, afkeuren, mooi vinden, lelijk vinden. Daarover kun je uren filosoferen, maar dat is helemaal niet nodig. “Alles is beeld van eigen ontroering” zegt genoeg. En daarom wordt de kunstmarkt voor iedere bezoeker een geheel eigen belevenis die zijn gelijke niet kent.

Hein Bloemink, augustus 2008

Wind

Op zaterdag 5 juli om 5.00 uur vertrok ik met een vriend per fiets naar Vlissingen. Ieder jaar waag ik zo’n tocht, soms haal ik het doel, soms niet. Vorig jaar naar Maastricht (2,5 dagen fietsen, 350 km) had ik succes. Het avontuur moest zich in maximaal drie dagen voltrekken. En…..dit jaar heb ik het doel binnen die termijn niet gehaald. We zijn blijven steken in een dorp bij Breda (Raamsdonksveer) en zijn in Den Bosch weer op de trein gestapt. Nog steeds ben ik dit leed aan het verwerken. Waarom lukte het mij wel om in Maastricht te geraken en is Vlissingen een brug te ver. Hoewel ik mijn analyse nog niet heb voltooid, denk ik dat het te maken heeft met de ligging van Haren ten opzichte van de genoemde reisdoelen, in combinatie met de meest voorkomende windrichtingen. Als fietser ben je erg dicht bij ‘de elementen’ en ga je in de gaten krijgen dat je wind mee en wind tegen kunt hebben. In de auto geldt die wet niet. Als fietser besef je dat je zitvlak bestaat uit een laag vet en spieren met daaronder stug bot. Lang zitten op een fietszadel zet dit lichaamsdeel op een merkwaardige wijze in vuur en vlam. In de auto ga je even verzitten en je rijdt verder. Als fietser besef je dat je lijf een motor is die van brandstof voorzien moet worden. Doe je dat niet, dan gaat de motor haperen, misselijk, hoofdpijn. In de auto denk je daar niet aan. Tenslotte is er de psychologie van het fietsen. Je beseft dat lichaam en geest een geheel vormen. Als je tijdens het trappen gaat piekeren over slecht wegdek, naderende regen of tegenwind….dan word je bedwelmd door een gevoel van algehele onmacht. Je ziet de zin van het leven niet meer en van fietsen al helemaal niet. Het is dus zaak om optimistisch te blijven en niet teveel na te denken. Het begrip ‘verstand op nul en blik op oneindig’ is een waarheid die ik op een tegeltje boven mijn bed zou willen hangen. Het is een lijfspreuk geworden op de dagen dat ik mijn verre fietstochten onderneem. Het geluksgevoel is nauwelijks te beschrijven als je op eigen kracht op je fiets de ‘hel van Smilde’ doorstaat (de geestdodende weg langs de Drentse hoofdvaart met altijd wind tegen), als je Kampen inrijdt (met die prachtige zilveren Ijssel), als je door de bossen van de Veluwe klauwt, de Dom van Utrecht vanaf je zadel ziet. Het is heerlijk om twee minuten de benen te strekken op de pontjes van Zwartsluis en van Vianen. Het is alsof je in een oase binnengaat als je na 150 kilometer op een hotelbed ploft en een douche neemt. Alles is anders, als je op eigen spierkracht reist. Maar Vlissingen heb ik dit jaar dus niet gehaald. Mijn vriend en ik hebben de strijd gestaakt in Raamsdonksveer. De strijd, waartegen eigenlijk? Voornamelijk tegen de wind. Die ploert is gemener dan regen en zon. De wind, die altijd uit het Zuid-Westen waait. De wind die de kracht uit je kuiten blaast. De wind die je doof maakt en blind voor het natuurschoon om je heen. Toen we eenmaal de koers hadden gewijzigd in oostelijke richting, werd de wind onze vriend. Hij blies ons naar Den Bosch, waar wij op de Markt een lekkere lunch namen om bij te komen, om te ontwaken uit de roes. En de trein….die bracht ons naar Haren terug. Die trein, die de kilometers waarvoor wij hadden gezwoegd zonder enige moeite verslond. Alsof er geen wind bestond.

Hein Bloemink, juli 2008

Bus-bulldogs

Ik loop de sigarenwinkel van Guus Ennes binnen en geef hem een vuistslag in het gelaat. Terwijl Guus opkrabbelt vraagt hij waar hij dat aan te danken heeft. “Ik heb net mijn belastingaanslag binnen Guus, en daar ben ik het helemaal niet mee eens. Daarom sla ik jou!” Verderop in het dorp kom ik burgemeester Mark Boumans tegen, die vriendelijk zijn hand naar me uitsteekt. Ik bedenk me niet en laat hem met een handige voetbeweging struikelen. Hij is verbijsterd en ik beantwoord zijn blik: “Sorry burgemeester, de drukker van mijn krant heeft te laat geleverd, schande toch? Daarom heb ik u laten struikelen.” Dan kom ik bij de ingang van Albert Heijn een oude dame met rollator tegen. Ik ga door de knieën en laat sissend de lucht uit de banden lopen. Nog voordat ze me kan vragen ‘waarom’ geef ik haar het antwoord. “U moet goed begrijpen dat ik ruzie heb met mijn baas, ik vind dat ik te weinig verdien. Jammer voor u.” De arme dame hapt naar adem: “Wat heb ik daarmee te maken?” En zo koel ik mijn woede op alles en iedereen. Vanmorgen ben ik tenslotte opgepakt door de politie. Ik had mijn auto dwars op de weg gezet toen er een bus aan kwam. Geleund tegen mijn voertuig ben ik een sigaartje gaan roken. Toen kwam de chauffeur witheet naar buiten: “Waar ben je me bezig sukkel?” Ik zei dat het pech was voor hem, maar dat ik op deze manier graag het conflict wilde uitvechten met mijn verzekeraar, die stormschade aan mijn dak niet wil vergoeden. “Wat heb ik daarmee te maken?” schreeuwt de buschauffeur, en hij belt de politie. Even later word ik afgevoerd en zodadelijk brengen ze me naar dokter Winters omdat ik niet goed bij mijn hoofd zou zijn. Maar…wat is het verschil tussen mij en buschauffeurs die half Nederland in verwarring brengen om een ruzie met hun baas uit te vechten? Wat hebben scholieren op weg naar hun examen daarmee te maken? Waarom moeten onschuldige klanten de klappen oplopen? Buschauffeurs die met verve hebben meegedaan zouden eens bij zichzelf te rade moeten gaan of zij werkelijk achter hun wandaden hebben gestaan of dat zij zich slechts op bedenkelijke wijze hebben laten meesleuren door hun brullende collega’s, die mij soms als bulldogs voorkwamen. Leuk idee, zulke types aan het stuur van een bus met vijftig mensen. Ik ga maar liever met de fiets of met de auto.

Hein Bloemink
juni 2008

Camping

Vorige week verbleef ik een dagje op een camping in onze regio. Een keurige camping met veldjes en prima voorzieningen. Met goede moed en voorzien van tuinstoelen en vishengel gingen we de paden op en de lanen in. Daar werd ik voor het eerst geconfronteerd met een nieuwe ‘terreurorganisatie’. Ze noemen zich ‘Nederlandse Caravan Club’ die opereert vanuit rijdende brigades. Die zijn wit van kleur en hebben twee wielen. Deze rijdende brigades worden ook wel ‘het sleurhuttenlegioen’genoemd. Leden van deze organisatie hebben tot doel om ‘veldjes’ op campings te annexeren, het liefst allemaal. Eenmaal neergestreken op zo’n veldje proclameren zij hun ‘republiek’, zorgen dat hun leden-sticker in het zicht zit en onderwerpen argeloze andere kampeerders aan hun regime. Het voorgaande mag belachelijk lijken, maar er is een kern van waarheid. Mijn zwager had het gewaagd (als niet-lid) zijn caravan te plaatsen op een veldje dat reeds was ingelijfd door een cel van de genoemde club. Bovendien had hij het gewaagd zich niet voor te stellen aan de NCC-strijder. Daarop werd hij aangesproken: “Ben u geen lid van de NCC? Zou u dat niet eens doen? En het is ons goede gebruik dat nieuwe gasten zich even komen voorstellen aan de gasten die al op ons veldje staan.” Dat noem ik nou sociale terreur. Mijn zwager bleef beleefd! Hij had wat mij betreft zich hardop mogen afvragen waar de heer zich mee bemoeide. Maar hij bleef beleefd. Navraag in de campingwereld leerde dat leden van die organisatie zich wel vaker hoog verheven voelen boven het gewone ‘kampeerplebs’ en dat zij spreken van ‘ons veldje’. Huisregels van de camping worden niet zelden ondergeschikt gemaakt aan ‘onze regels’. Ik vond een aanwijzing van deze ‘terreurdreiging’ in de brochure van de betreffende camping. Daarin staat dat alle huisregels ‘óók gelden voor leden van de NCC’. Veelzeggend. Ik stond perplex toen ik dit allemaal hoorde. Moeten kampeerders niet worden gewaarschuwd? Ja. Mocht u gaan kamperen en u ziet een caravan met driehoekige sticker (NCC) verschijnen, blijf dan kalm, stelt u zichzelf netjes voor aan die mensen en loop rugwaarts en buigend terug naar uw nederige stulp. Alleen zo kunt u zich onttrekken aan het bewind der NCC-ers en kunt u uw vakantie redden.

Hein Bloemink

Gerucht

De brand met de dramatische afloop in De Punt heeft hele volksstammen tijdelijk verbroederd. Dat is het opmerkelijke resultaat van rampen. Op 9 mei om 14.00 uur reed ik op de A28 bij Haren en zag de enorme rookzuil tegen de strakblauwe hemel. Dat paste totaal niet in het beeld van deze zomerse dag en ik belde naar de gsm van een Harense brandweerman. Hij wist nog van geen brand en ik beloofde hem te gaan kijken waar de brandhaard was. Enkele minuten later belde hij me om te zeggen dat inmiddels zijn alarm was afgegaan. Toen ik er aankwam zag ik dat ‘mijn brand’ allang publiek bezit was geworden. Politie, traumaheli, brandweerwagens en honderden toeschouwers. Ik had geen tijd om te blijven en vervolgde dus mijn weg. Een uur later belde mijn dochter, die bij de brand was gaan kijken. Ze had gehoord dat er brandweermensen waren‘vermist’. Niet lang daarna hoorde ik het verhaal dat er brandweermensen waren overleden, maar niét van het Harense korps. De rookpluim had nu dus de kleur van rouw aangenomen. De brand was nu onderwerp van honderdduizend analyses en speculaties. Landelijke media parkeerden hun zendmasten bij een scheepswerf die niemand op gewone dagen een blik waardig gunt. Ik denk terug aan 23 mei 1977 toen hier fotografen met telelenzen stonden te turen naar de trein die door Molukkers was gekaapt. Zelfde plaats, ander drama. ’s Avond ben ik op de fiets naar De Punt gereden en trof er een aangeslagen doch druk pratende menigte aan die keek hoe de brandweer bezig was op te ruimen. Macaber, die loods des doods. Daar vonden drie kerels hun einde. Waarom? Om een paar plezierjachtjes te redden uit de vlammenzee? Gelukkig (in dit verband een wrang woord) werd bekendgemaakt dat deze dappere mannen zich in die levensgevaarlijke situatie begaven omdat het gerucht ging dat er nog iemand in het brandende pand aanwezig was. De bron van dat gerucht (hij of zij) zal nooit meer rustig kunnen slapen. Maar voor de nabestaanden is het een zegen. Want hoe kun je verder leven met de gedachte dat je dierbare is gestorven voor een paar brandende bootjes? Dan zouden de brandweermensen de geschiedenis ingaan als roekelozen, nu als helden. Dat gerucht maakt het grote verschil voor hun nagedachtenis. En dat verzacht misschien iets van het leed! Zij rusten in vrede.

Hein Bloemink mei 2008

Bosjes

Een belangenvereniging heeft onlangs bij het meerschap gepleit voor het toestaan van openluchtseks door homo’s in de bossages van de Hoornseplas. Men geeft als argument dat deze ontmoetingen deel uitmaken van vrijheden die liggen verankerd in de rechten van de mens. We leven in een vrij land. We mogen ons gedragen zoals we willen en dat is een groot goed. Het hebben van ontmoetingen op ‘openbaar gebied’ is ieders goed recht. Als ik met een kennis afspreek op het terras van Kaap Hoorn, waarom zou ik dan niet met die kennis mogen afspreken op een grasveldje. Ja, waarom zelfs niet in de bosjes? Ik verbaas mij over mijn eigen mildheid bij het schrijven deze regels. Wat is er toch met me aan de hand? Ik merk dat sommige onderwerpen plausibel gaan klinken als je ze ‘juridiseert’, zoals hierboven gebeurt. Je kunt het met de bovenstaande redenatie namelijk niet oneens zijn. Maar als ik nou feitelijk zou opschrijven wat er gaande is, kom ik tot een heel andere conclusie. Het gaat vermoedelijk om vieze kerels (en wie weet ook wel vrouwen) met een perverse kijk op menselijke relaties. Hun instincten liggen erg dicht bij oerdriften van de voortplanting, zoals hondjes ook in het openbare park paren zodra ‘de tijd rijp is’. Driften maken hen blind voor de gevoelens van aversie van anderen in die openbare ruimte. Het wordt gewoon een vieze vertoning en andere mogen de vunzige sporen opruimen. Hoezo rechten van de mens? Het is natuurlijk gewoon a-sociaal en vies. Maar heb ik als argeloze buitenstaander wel een poot om op te staan? Is het feit dat ik deze ‘hondjes’ (als mensen vermomd) verafschuw wel voldoende juridische reden om een verbod uit te vaardigen? Mijn gevoel zegt: ja. Mijn verstand vreest: nee. En zo kan de wereld op zijn kop komen te staan. Wat ordinair en walgelijk is hoeft dat juridisch nog niet te zijn. En daar baal ik van!

Hein Bloemink april 2008

Recht op uitzicht?

Column april 2008

Wie is rechthebbende op het uitzicht uit je raam? Die vraag komt bij me op als ik zie hoe mensen soms reageren op plannen in hun directe woonomgeving. Het gaat om geschillen tussen buren zodra er verbouwplannen zijn. Het gaat om groeperingen die zich verzetten tegen uitbreiding van dorpen of wijken. Ik zie hoe mensen zich boos kunnen maken over palen, hekken, borden zodra die zich binnen hun uitzicht bevinden. Ook in Haren lopen er heel wat procedures tussen buurtgenoten onderling en vaak speelt daar de gemeente ook nog een rol in als handhaver en interpreteerder van regels. Zelf kan ik me ook erg opwinden over zoiets als verpauperende woningen. Ik ben dus geen haar beter! Het strijden voor je ‘uitzicht’ is eigenlijk een vreemdsoortige strijd. Je claimt iets dat je niet kunt aanraken. Je claimt kijkruimte die helemaal niet van jou is. Je claimt een soort copyright op ‘een plaatje’. Een plaatje dat notabene ontstaat dankzij de eigendommen van een ander. Bomen, bos, weilanden, schilderachtige boerderijtjes. Waar ligt deze claim eigenlijk wettelijk vastgelegd? Op welke wet kan ik mij baseren als ik vind dat iemand mijn uitzicht bederft? Veel conflicten over bouwen, verbouwen en uitbreiden zijn volgens mij terug te voeren op dit schimmige thema. Plannenmakers (zowel zakelijk als particulier) lopen hier tegenaan. Is het terecht dat wij uitzicht claimen? Komt daardoor de ontwikkeling van een dorp of stad niet op slot te zitten? Wordt democratie daardoor geen strooppot? Als iedereen roept ‘not in my backyard’, vraag ik me af hoe groot die backyards dan wel niet zijn? Uitzicht is een subjectief begrip. Ik stel voor om uitzicht te schrappen als steekhoudend argument en ons bij het indienen van bezwaren te beperken tot tastbare feiten.

Hein Bloemink

april
Kadavers

In Haren doen we er alles aan om de omgeving mooi te maken en te houden. Lelijk moet weer mooi worden. Maar hoe zit het dan met die bouwvallige sloophuizen aan de Meerweg, één van de mooiste locaties in Haren? Percelen aan het water, waar mensen een vermogen voor zouden willen betalen om er te kunnen wonen. Meer specifiek: de locatie ‘Helder’. Daar staan sinds mensenheugenis twee huizen die nu als kadavers in de berm liggen te verrotten. Het ene huis is al minstens veertig jaar onbewoond en door de eigenaar met geen vinger meer aangeraakt. Het andere huis is sinds ongeveer tien jaar onbewoond en ook daar is sindsdien door dezelfde eigenaar het onderhoud gestaakt. Naar ik weet zijn beide woningen in het bezit van één familie die kennelijk onderling geen overeenstemming kan bereiken. Ik zie het in mijn fantasie voor me: kibbelende volwassenen tijdens verjaardagen. De ene wil geld, de andere wil niks en misschien een enkeling die zich afvraagt of dit nou een waardige nagedachtenis is aan de hardwerkende bootsmannen van weleer! Hoe dan ook, ze brengen niets tot stand! Terwijl zij wikken, wegen, kibbelen en twijfelen wordt een klein stuk Haren iedere dag minder mooi. Wordt een stukje Harense kust zelfs foeilelijk! Het signaal dat deze eigenaren met hun handelswijze afgeven naar de buitenwereld is: “Maling aan iedereen!”. Kijk, nu verlang ik terug naar burgemeester F.W. van Ketwich Verschuur. Die deelde bekeuringen uit en hij was ook een burgemeester die mensen wees op het achterstallig onderhoud van hun panden. ‘Da’s toch geen gezicht’, zoiets zou hij dan gezegd hebben. Ware hij nog aan de macht, dan hadden de eigenaren van dit rampgebiedje aan het Paterswoldsemeer allang theevisite gehad en hadden zij misschien ingezien dat een dergelijk verval van erfgoed een smet is op de omgeving, op hun naam en…op de nagedachtenis aan de mensen die hier door hard werken een mooi bedrijf tot stand hebben gebracht. Als ik aan de macht was? Dan wist ik het wel: onteigenen en mooi laten maken door mensen met hart voor Haren!

Hein Bloemink maart 2008

Maurice

Jaren geleden viel me een garagebox aan de Kroonkampweg in Haren op. Naast de parkeerplaats. Een roestig bordje met ‘entree’ bij de openslaande deuren. Op onregelmatige tijden zag ik er, weer of geen weer, een jonge man een de slag met oude meubels. Schuren, verven. Ik rubriceerde dit tafereel als een ‘student’ die als een soort Malle Pietje (uit Swiebertje) rommelde met wrakhout. Na een tijd intrigeerde die jongen me, ik besloot hem eens aan te spreken. Hij vertelde Maurice te heten en naast zijn baan bij een verzekeringsbedrijf wat te handelen in antiek en curiosa. Wel, dat leek me een leuk verhaal in de krant. Ik stelde voor een artikeltje over hem te schrijven. Wie schetste mijn verbazing: nee, hoor. Hij had eigenlijk geen behoefte aan publiciteit. Hij had het druk genoeg met zijn handel. Dat hoor je niet vaak. Ik rubriceerde Maurice in de categorie ‘eigenwijs’. Zelf weten! Weer een paar jaar later kwam ik Maurice tegen tijdens de organisatie van de kerstmarkt in De Brinken. Hij had een plaats gehuurd en ik zag hoe hij een wagenlading vol meubels en curiosa uitstalde in de passage. Tot mijn verbazing zag ik dat klanten als door een magneet naar zijn spullen werden getrokken. Ik rubriceerde hem in de categorie ‘zo gek nog niet’. Vorig jaar vertelde Maurice me dat hij een stunt ging uithalen: hij zou de garagebox aan de Kroonkampweg verlaten en de voormalige dancing De Oude Snik bij De Punt kopen. Daar zou hij een droom verwezelijken. Een enorme winkel met antiek en curiosa met theehuis. Ik rubriceerde hem in de categorie ‘ondernemers met lef’ die dromen durven najagen. Deze week was ik op een zondag bij Maurice. Ik werd overdonderd door het enorme aanbod meubelen, curiosa, wat moet hij veel geld en energie hebben geïnvesteerd in zijn droom. Zijn nek uitgestoken. Verder gekeken dan zijn loonstrookje bij het verzekeringsbedrijf. Samen met zijn vrouw en negen medewerkers beweegt hij zich nu door hele volksstammen klanten. Een publiekstrekker. Ik sta perplex. Een andere wereld, de wereld van zijn dromen. Ik denk terug aan die garagebox en rubriceer hem tenslotte in de categorie ‘mensen met visie, durf en tomeloze werklust’. Ik neem mijn pet diep af. Zonder mensen als Maurice en zijn vrouw was de detailhandel kleurloos en saai.

Hein Bloemink februari 2008

Betuttelzucht!

Langs de Verlengde Hereweg in Helpman wordt gewerkt. Het fietspad moest daarvoor hermetisch worden afgesloten. Bij het bedenken van een tijdelijke oplossing voor dit probleem hebben de deskundigen laten zien zich niet te kunnen verplaatsen in de positie van fietsers. Ze bedachten namelijk een omleiding van een extra kilometer. Het gevolg had je kunnen voorspellen: fietsers kozen voor een sluiproute over de rijbaan. Ik vond dat prachtig, want er werd weer eens een beroep gedaan op mijn gezond verstand als automobilist. Ik moest weer eens zélf uitkijken voor fietsers, gas terugnemen en goed opletten. Ik deed dat graag, want ik ben ook wel eens fietser en ik weet hoe ergerlijk het is als je moet omrijden! Helaas dacht niet iedereen er zo over, want betuttelaars namen de regie kloek in handen en schakelden de politie in. Die ging bekeuringen uitschrijven aan fietsers op de rijbaan. De plannenmakers konden toen weer rustig slapen, hun geurvlag was uitgezet, het territorium van de automobilist was met succes verdedigd tegen zelfredzaamheid en ‘shared space’.. Boetes, dat zou fietsers wel leren om zich over de grens te begeven! Ik vond het een beschamende vertoning, juist als automobilist. Een paar weken was de samenwerking tussen fietsers en automobilisten toch prima (en zonder ongevallen) verlopen? Kennelijk is dit besef ook doorgedrongen tot de bedenkers van wegomleggingen, want sinds kort zie ik dat met paaltjes een tijdelijk fietspad is gevormd op rijbaan Verlengde Hereweg. Er is nog ruim voldoende plaats voor twee rijbanen voor auto’s. Met genoegen stel ik vast dat het samenspel tussen fietsers en automobilisten nu goed is geregeld en dat de ruimte eerlijk is verdeeld. Maar hoe zit het nu met de fietsers die tegen een boete zijn opgefietst? Als ik justitie was zou ik zeggen: seponeren! Het gedrag waarvoor zij zijn beboet is immers nu formeel geworden. Het kon dus wél! Met terugwerkende kracht zouden de bedenkers van de omleiding dus een vermaning moeten krijgen, omdat zij door slechte betuttelzucht voor verwarring hebben gezorgd. Fietsers zijn als het ware in de val gelopen en verdienen nu hun geld terug.

Hein Bloemink
oktober 2007

Moederinstinct

In de verdwijningszaak van Aisha Rieck uit Haren is de (drugsverslaafde) moeder natuurlijk de ‘kwaaie’. Zij heeft haar kind na het uitstapje niet teruggebracht naar de pleegouders, zoals was afgesproken. Iedereen vraagt zich nu af wat het kind is overkomen en ook sombere scenario’s schieten door het hoofd van velen. Zoals gezegd: de moeder is de boosdoener. Maar volgens mij dan wel een boosdoener met twee gezichten. Enerzijds de heks, met drugs in haar lijf, aan lager wal en zonder verantwoordelijkheidsbesef. Anderzijds een vrouw die zonder het te beseffen haar diepste instinct volgt: het instinct van de moeder die haar kind bij zich wil hebben. Welnu, die diepe wens kunnen we allemaal begrijpen. Als de omstandigheden anders zijn noemen we dat namelijk ‘moederliefde’. In deze zaak noemen we het ‘ontvoering’. Alexandra, de moeder van Aisha, heeft op dierlijke wijze haar instinct gevolgd en haar kind heroverd. Hoe schakel je dat instinct uit? Ik weet het niet. Verstandige mensen zullen nu moeten proberen het kind terug te ‘stelen’ van de moeder. En haar aan het verstand moeten brengen dat Aisha haar kind niet meer is. Arme Aisha, arme moeder, arme heks.

Hein Bloemink
juli 2007

Schepper

Op de eerste dag is er een steen. Vierkant en zwaar. Op de tweede dag treedt de kunstenaar naar voren, in zijn handen rust een homp klei, vochtig en lomp. Hij legt de homp op de steen. De derde dag gaan ’s mans handen strelend over de vochtige klei, die zich (eerst onwillig) voegt naar de menselijke aanraking. Vormeloosheid wordt vorm, voorzichtig nog. De vierde dag tekent zich onder de handen van de kunstenaar het silhouet af van een mens. Dynamisch. De dode klei is tot leven gekomen. De vijfde dag trekken spatels diepe voren, schijnbaar onbesuisd en zonder doel. Maar de lijnen vloeien samen in anatomische vormen van een menselijke gestalte. De zesde dag krijgt de menselijke gestalte een gezicht, houding en karakter. De kunstenaar loopt om zijn beeld heen en werkt aan laatste details. De zevende dag is rustdag. Steen is geworden tot sokkel, homp klei verheven tot beeld. Beeld vertelt een verhaal in houding en expressie. De maker heeft van niets iets gemaakt. Hij is schepper van kunst en dat maakt hem bijzonder. Veel plezier op de kunstmarkt, 1 september, Haren.

Hein Bloemink, juli 2007
geschreven als voorbode van de kunstmarkt

Staatswinkel Raadhuisplein?

Mag ik de lezer even meenemen naar het communistische land Absurdia? Het ministerie van dat land heeft namelijk besloten dat de wettelijk voorgeschreven APK van auto’s in het vervolg verplicht wordt uitgevoerd door monteurs in overheidsdienst. Daartoe zullen in gemeentehuizen werkplaatsen worden ingericht, ambtenaren zullen worden omgeschoold om de keuringen te kunnen uitvoeren. Door de maatregel raken garagebedrijven jaarlijks vele miljoenen euro’s omzet kwijt. Een ander voorbeeld. De wettelijk verplichte constructieberekeningen die burgers moeten laten maken als zij hun woning willen verbouwen of uitbreiden, moeten verplicht worden gemaakt door ambtenaren in overheidsdienst. Daartoe zullen gemeente-ambtenaren worden omgeschoold. Constructieberekeningen van vrijgevestigde constructeurs en architecten worden niet meer geaccepteerd. Door de maatregel loopt deze sector jaarlijks miljoenen euro’s aan omzet mis. Nog eentje dan: De wettelijk verplichte valhelm voor motor- en brommerijders mag in het vervolg uitsluitend worden gekocht aan de balie van gemeentehuizen. Daartoe zal de overheid een productielijn voor valhelmen met staatslogo ontwikkelen, ambtenaren van gemeentes zullen worden opgeleid om de valhelmen te kunnen verkopen. Door de maatregel loopt de rijwielbranche jaarlijks miljoenen euro’s aan omzet mis.

Zo gaat het niet alleen in het communistische land Absurdia, maar ook in Nederland. Als het aan het ministerie van Binnenlandse Zaken ligt, althans. Dat gaat met ingang van 2009 voorschrijven dat pasfoto’s voor paspoorten uitsluitend mogen worden gemaakt door ambtenaren in overheidsdienst. Pasfoto’s die door vakfotografen worden gemaakt, worden niet meer geaccepteerd. In Haren sprak ik met Richard Spijker, die wekelijks honderden pasfoto’s maakt. Als ik mij in zijn positie verplaats wordt het gemeentehuis aan de overkant van het plein tegen wil en dank plotseling zijn concurrent. En dat terwijl gemeentehuizen geen vestigingsvergunning hebben in de detailhandel, geen vakdiploma’s aan de muur hebben en bovendien op het gemeentehuis geen bestemming ‘detailhandel’ rust. Het besluit zou ertoe moeten leiden dat de pasfoto’s aan de strikte hoge eisen voldoen. Om dat te bereiken zou je als overheid toch gewoon streng moeten toezien op die kwaliteit van de foto’s en de burgers net zolang naar de fotograaf moeten terugsturen tot die zijn werk goed genoeg doet. In plaats daarvan gaat monopolist overheid op de stoel van ondernemers zitten. Sterker, kaapt men op een DDR-achtige manier een markt weg voor de neus van een hele particuliere branche. Als dit absurde plan doorgaat moet het bedrijfsleven de ‘monopolist overheid’ gaan vrezen. Want de dag komt dat b.v. de verplichte APK’s en constructieberekeningen zoals in het land Absurdia worden opgeeist.

Ik ben geen jurist, maar als ik de fotosector was zou ik een advocaat inschakelen. Die zou in dit geval kunnen aantonen dat de overheid misbruik maakt van haar machtspositie als monopolist. Dat doe je namelijk in mijn ogen, als je als overheid wettelijk een pasfoto verplicht stelt en bovendien eist dat die pasfoto bij diezelfde overheid wordt gekocht. Concurrentievervalsing. Van gemeentehuis tot staatswinkel. Die kant willen we toch niet op?

Hein Bloemink
juli 2007

Stiekem klagen?

In Glimmen heeft een mysterieuze serie brieven van een advocaat uit Coevorden heel wat teweeggebracht. De brieven sommeerden het bestuur van het plaatselijke dorpshuis glashard om maatregelen te nemen tegen de vermeende overlast door o.a. jongeren en andere gebruikers (zoals biljarters, zangers, toneelspelers, sjoelers, gymnastiekers, klaverjassers). Stilte moest heersen in het dorpshuis! De advocaat schreef ook brieven op poten naar de gemeente Haren. Het vreemde is, dat die advocaat in zijn brieven niet wilde verraden namens wie hij eigenlijk optrad! Ook na telefonisch aandringen van mij. Hij heeft het over ‘omwonenden’ die ‘ernstig overlast ondervinden’. Maar om welke omwonenden het gaat, dat blijft een raadsel. Het gevolg was dat in Glimmen met vingers werd gewezen, werd gefluisterd. Zou hij het zijn? Of zij? Wie is de dorpshuisverrader? Ik kan dat heel goed begrijpen. Je wilt tenslotte graag weten met wie je in gesprek bent, nietwaar? Welke onverlaat haalt het ook in zijn hoofd om een advocaat op zijn eigen dorp af te sturen met de uitdrukkelijke opdracht om dit zonder naam en toenaam te doen? Ik vind het kleinzielig. Als je in een dorp woont, behoor je onderdeel te zijn van dat dorp en niet de sluipschutter! Mensen die anoniem hun eigen dorp in de rug aanvallen, moeten maar in een Vinex-wijk gaan wonen. Daar zullen zij misschien de anonimiteit vinden die zij zoeken. In Glimmen moeten de opdrachtgevers van deze advocaat door hun vitrages hebben gegluurd om te zien wat het effect was van hun juridische aanval. Ze moeten op straat toch ook hebben horen praten over deze zaak en hun gezicht in de plooi hebben gehouden: ‘Aan mij mogen ze niet zien dat ik het ben…’ Wat een moed! Op deze manier een wig drijven in je dorp getuigt van een slechte smaak. Het markeert de opmars van de individualisering. Niet zelf met je dorpsgenoten in gesprek gaan over een ongewenste situatie. Niet zelf met de gemeente praten over mogelijke oplossingen. Niet zelf de vermeende overlastveroorzakers een keer opzoeken en aanspreken. Nee, advocaat erop af sturen, anoniem! Aan de stiekeme klagers zou ik willen zeggen: Als u de kat wilt knijpen, doe het dan eens overdag en niet in het donker!

Hein Bloemink

juni 2007

Haren-Helpman

Met de regelmaat van de klok komt er weer een discussie op gang of de gemeente Haren niet opgeheven moet worden om te gaan behoren bij de gemeente Groningen. Rekenmeesters van het ministerie van Binnenlandse Zaken menen dat 20.000 inwoners zo’n beetje de ondergrens is voor zelfstandige gemeenten en Haren komt dus ruim duizend inwoners te kort. In Haren leeft een sterk dorpsbesef. Veel inwoners van die gemeente vinden de dorpse maat plezierig en overzichtelijk. Je kunt aan Haren zien dat het geen stadswijk is maar een eigen dorp dat zijn ‘huiskamer’ netjes in orde heeft. Zelf woon ik ook in Haren, ben er zelfs geboren en heb er altijd gewoond. Ik zou het erg jammer vinden als Haren het wormvormig aanhangsel zou worden van Groningen. Ik weet wel dat ik door emotie wordt gedreven en niet door zakelijke argumenten. Ik weet wel dat er voordeel is te halen uit schaalvergroting, maar moet dat ten koste gaan van de geneugden van kleinschaligheid? Wat is eigenlijk de waarde van plezierig wonen? En van emotie? Helaas wegen zakelijke argumenten vaak zwaarder als het aankomt op de beslissing om een gemeente opnieuw in te delen. Ik zal dus een list moeten verzinnen. Het idee daarvoor kreeg ik tijdens een interview in Helpman. Iemand zei: “Ik ga straks nog even het dorp in voor de bodschappen”. Met ‘dorp’ werd Helpman bedoeld. Toen viel mijn kwartje. Tot 1915 behoorde Helpman bij Haren. De gemeente Haren moet Helpman nu gewoon gaan terugvragen. Dan krijgt Haren er opeens tienduizend inwoners bij, maar blijft klein genoeg voor de dorpse sfeer. Voor Helpman is het ook beter, want men wordt vanaf dat moment verzorgd door een gemeente met dorps-bloed in de aderen. Dat past veel beter bij de Helpmanners, toch? Ik denk dat het gemeentehuis van Haren zowel letterlijk als figuurlijk dichterbij Helpman staat dan het stadhuis op de Grote Markt. Ik zie de krantenkoppen al voor me: “Haren vraagt Helpman terug”. En daarna: “Wallage wil Helpman niet kwijt”. En uiteindelijk: “Helpman na 92 jaar weer bij Haren!”. De vraag is nu alleen: wie durft Jacques Wallage te bellen en te vragen: “Mogen we Helpman terug?’

Hein Bloemink
juni 2007

Bam-kunst

De grote zijmuur van sportzaal De Bam in Haren is voorzien van een kunstwerk in bakstenen. Een gemetselde legpuzzel met waarschijnlijk een betekenis. De Bam is tegenwoordig niet alleen een sportzaal, maar ook een ontmoetingsplaats voor jongeren, die op het pleintje voetballen, kletsen, roken, drinken en soms lawaai maken. Dat gedrag heeft de ‘hangjongeren’ in Haren geen goede reputatie gegeven. Het gevolg is dat volwassenen een nogal kort lontje hebben als het gaat om jongeren. Dat blijkt in de kwestie die nu speelt. De gemeente heeft namelijk een eenvoudig metalen voetbaldoeltje geplaatst aan de voet van de muur met dat kunstwerk. En wat denk je: het kunstminnend establishment heeft zich beklaagd over het feit dat die drie metalen balken het kunstwerk op een onacceptabele manier ontsieren! Hun kunst is belangrijker, men wil het doeltje dus weghebben! Belachelijk en intolerant vind ik het om te gaan klagen over dat doeltje bij De Bam! Waarom wil men de zaak nu niet eens van een positieve invalshoek bezien? Die jongeren willen op dat plein ouderwets een potje voetballen. Positief! Ze doen dat in hun eigen dorp, waar gelukkig ruimte is voor dit vertier. Positief! Ze krijgen zelfs medewerking van de gemeente, die doorgaans het verwijt krijgt altijd ‘nee’ te zeggen. Positief! Wat zou u denken als ik nu dat kunstwerk ook eens van een negatieve kant bekijk? Als ik bijvoorbeeld zou vinden dat die functionele wand van de sportzaal over een enorme oppervlakte wordt ontsierd door schots en scheef gemetselde bakstenen zonder enige samenhang of balans? In een gemeente waar ondernemers geen borden in hun tuin mogen zetten en waar bestemmingsplannen allerlei beperkingen opleggen, worden passanten gedwongen aan te kijken tegen kunst, terwijl zij daar niet om hebben gevraagd. De Bam als galerie? Nee toch? Weg met het kunstwerk, we willen weer een strakke gemetselde muur! Onzin vindt u? Niet tolerant zegt u? Mee eens. Laten we dus nu een keer proberen op een positieve manier de verschillende belangen met elkaar te combineren. Accepteer gewoon dat er een lullig doeltje onder dat kunstwerk staat en laat die jongens lekker voetballen. De muur van uw huiskamer is van uzelf en daarover bent u de baas. Deze muur is van ons allemaal en niet van kunstminnaars alleen. Verleng uw lont!

Hein Bloemink

Muziek

Sommige mysteries in het leven zijn niet te ontraadselen. Zoals muziek. Wat is muziek nou eigenlijk anders dan geluid, dat door mensen wordt voortgebracht met hulp van gereedschap, dat we ‘instrumenten’ noemen? Waarom raken die geluiden ons nou toch in het hart en waarom doet het geluid van de wasmachine of van de kettingkast van mijn fiets dat niet? Muziek heeft de magische eigenschap, dat die zich blijvend kan hechten aan emoties. Muziek kleeft zich vast aan emoties, zodat je bij het horen ervan moeiteloos een gevoel of herinnering van vroeger kunt terughalen. Muziek vindt de weg naar je diepste gevoelens, althans bij mij. Soms vind je een bepaald stuk direct schitterend, zonder dat je onder woorden kunt brengen waardoor dat komt. Welk ander geluid kan dat? Het mysterie van muziek is dat het de pincode van je hart kan kraken. Laat mij ‘Take it easy’ van The Eagles horen of ‘Heavy on my heart’ van Anastacia; geef me een paar tonen van ‘School’ van Supertramp of van ‘Abendrot’ van Richard Strauss en de kluisdeur van het gevoel springt open. Mijn vader monteerde vroeger muziek van Tsjaikovsky onder de familiefilmpjes uit mijn jeugd, die muziek zet mijn klok nu moeiteloos terug naar 1965. Waarom, waarom? Ik weet het niet, ik kan het niet verklaren! Muziek is mijn drug. Muziek heeft als enige rechtstreeks toegang tot mijn gevoelige snaar, een orgaan dat vrijwel ieder mens heeft. Het is dus niet zo vreemd, dat muziek op een begrafenis zo indringend en bepalend is. Op 2 april was ik op de begrafenis van een dierbare vriendin die veel te jong was gestorven. Haar kist werd uitgedragen op klanken van ‘Nearer my God’, muziek die in de film ‘Titanic’ wordt gespeeld door het strijkensemble als het schip al aan het zinken is. Daar en op dat moment smolt die muziek samen met de droefheid van de situatie en met haar die er niet meer is. Vanaf 2 april is die muziek verankerd in mijn hart en zal de rest van mijn leven mijn herinneringen aan die dag begeleiden. Heeft u zulke ervaringen? Dan kent u dus, net als ik, het mysterie van de muziek. Ontraadselen is helemaal niet meer nodig. Aan een half woord en een paar akkoorden hebben wij toch genoeg om elkaar te begrijpen?

Hein Bloemink april 2007

.‘

Lezen’

Als journalist gaan veel deuren voor je open. Mensen zijn vaak gastvrij en laten je binnentreden in hun wereld. In de afgelopen 12 jaar heb ik voor mijn krant al duizenden interviews afgenomen in duizenden werelden. Ik geef mijn ogen altijd goed de kost en let op details. Ik noem dat wel het ‘lezen van een huis’. Als je dat een beetje onder de knie hebt hoef je veel vragen niet meer te stellen en is een deel van het verhaal al verteld zonder woorden. Fotolijstjes op dressoirs vormen een rijke informatiebron, maar ook de boeken in de boekenkast. Blije portretten, diploma’s aan de muur, briefkaarten aan het prikbord. De troep op het aanrecht of juist de mathematische netheid van de kamer. Speelgoed op de vloer, overwoekerde tuin met schommels? Als ik rondkijk terwijl de geïnterviewde koffie zet rangschik ik deze binnenwereld en het gevoel herinner ik me jaren later nog als ik weer langs zo’n adres rijd. Maar het gekke is, dat ik dat bij mij thuis niet kan. Ik zit weleens rond te kijken in mijn luie stoel, met een pluimend sigaartje, en vraag me af wat ik zou ‘lezen’ als ik hier als interviewer op bezoek zou zijn. Nee, dat lukt me niet. Ik kijk naar de fotolijstjes, naar de briefkaarten op het prikbord, naar de troep op het aanrecht en naar de tuin. Maar het lukt me niet om daarin nou specifiek ‘mijn eigen wereld’ te herkennen. Hoe zou dat komen? Misschien omdat ik zelf onderdeel ben van die binnenwereld. Wellicht is het net zoiets als je bril zoeken zonder te merken dat je hem op je neus hebt. Het gevolg bij mij is dat ik minder alert ben op mijn huis. Ik zie niet dat de keuken aan het verouderen is, dat sommige stoelen ‘niet meer kunnen’ en dat die vloer ‘geen gezicht meer is’. Ik zie niet dat ik afwas in een teiltje uit 1980 en dat de steentjes van mijn oprit zijn verzakt. Alles is me zó vertrouwd, dat ik in die gebreken geen dissonanten herken. Ze horen erbij als de tik op een grammofoonplaat van The Eagles. Het is goed als er dan eens iemand is die je daar op wijst, zonder je thuisgevoel te kwetsen. En als dat inzicht eenmaal is doorgebroken kan de sigaar uit, luie stoel aan de kant. Want dan is er in een eigen huis altijd werk aan de winkel!

Hein Bloemink
april 2007

Pin-stress

Het openen van post is tegenwoordig niet leuk meer. Alle post is zakelijk, meestal zijn het rekeningen. De ergste post die ik thuis ontvang zijn de bankafschriften. Die vertellen me dat er weer tientallen bedragen zijn afgeschreven. Dat is mij op den duur zo gaan tergen, dat ik al jaren geleden ben gestopt met openmaken. Bancair struisvogelgedrag, heet dat in financiële kringen, waarvoor nog geen probaat medicijn is gevonden. Maar ik kan het u aanbevelen. Je stemming wordt niet langer bedorven en bovendien heb ik nog bijna geen nadelige effecten ondervonden van deze gewoonte. Het bijhouden van je banksaldo is in mijn ogen een nutteloze bezigheid. Toch moet ik bekennen dat er tóch één nadeeltje kleeft aan het negeren. Als je ‘zakgeldrekening’ namelijk onverwacht snel tot het nulpunt is gedaald, word je daarop pas attent gemaakt door de pinautomaat in de winkel. Ai! Dat is pijnlijk! Het is een taboe, dat ik graag wil doorbreken. Mij overkwam het jaren geleden eens op een bomvolle zaterdagmiddag bij Ikea, toen ik net een fors meubelstuk met een achteloos gelaat door de kassa wilde leiden. De blikken die toen op mij gericht waren! Ik haalde alles uit de kast, suggereerde dat de pas onklaar was geraakt, dat er een storing moest zijn….maar de dame achter de kassa keek me verveeld aan: dat verhaal kende ze in 1001 varianten! Twee weken geleden gebeurde het me opnieuw, nu gelukkig in mijn eigen vertrouwde Haren. Ik had bij Astoria gegeten en ik wilde met een Alain Delon-look pinnen en…. Daar was ie weer: ‘piep, betaal anders’. Ik voelde me sukkel, oplichter en sloeber tegelijk! Hoe is het toch mogelijk je als degelijke, oppassende burgerman die hard werkt voor zijn centen opeens kunt veranderen in een mislukkeling, een randfiguur, doordat je domme pasje piept! Kent u die pinpas-spanning ook? Iedere keer weer? Zou ie het doen? Of toch niet? Wat duurt het lang! Iedere keer weer die pinpas-stress! Komaan, laten we die stress afwerpen. Leve het piepje, leve het ‘geen saldo betaal anders’. Het kan iedereen overkomen! Vooral als je geen bankafschriften leest! En je bent allesbehalve een mislukkeling!

Hein Bloemink maart 2007

Saddam

Laat ik het nieuwe jaar beginnen met een bekentenis: ik heb via Google welbewust de zoekterm ‘Saddam’s Execution’ ingetikt onder de rubriek ‘video’s. Daarna duurde het minder dan een minuut en ik zag hoe de ex-dictator zijn laatste seconden beleefde onder het gejoel van toeschouwers, hoe vervolgens het luik werd geopend en hij zijn dodelijke val in de strop maakte. Het laatste beeld is een hangende man, als een boksbal bungelend, geknakte nek, in een seconde gedood als gevolg van een veroordeling door de Irakese rechters. Ik schrok wel een beetje van mijn zoekactie en ik probeerde de beelden goed te praten door te denken aan de tienduizenden slachtoffers die deze man heeft gemaakt. Maar dat rechtbreien geeft me geen voldoening. Ik heb helemaal niet het gevoel dat door het willens en wetens doden van een man ook echt recht is gedaan aan de slachtoffers en de wereldorde. Vroeger was het voor mij klip en klaar: zo’n man heeft geen recht meer op het leven, hangen! Nu vraag ik me af of wij de beschaving geen onrecht doen door van rechtswege iemand te doden als een wild beest. Is het uitvoeren van de doodstraf niet het begin van de afbraak van die beschaving die ik zo liefheb? Toont een beschaving niet zijn absolute kracht als een regering zich juist niet verlaagt tot het uitvoeren van een moord met voorbedachten rade? Moeten we het doden niet overlaten aan onmensen, de rechtspraak aan mensen en de straf aan de menselijkheid? Het kijken naar een stervende Saddam Hoessein vervulde me van een vreemde mix van vreugde, schuldgevoel en afkeer. Maar er is een lichtpuntje. Het filmpje heeft mij van mijn twijfels over de doodstraf afgeholpen. Ik ben er vanaf vandaag op tegen. Niet omdat ik Saddam niet het ergst denkbare gun, maar omdat ik nog veel meer de beschaving zijn eigenwaarde gun. Ik heb op 1 januari een opiniepeiling op de website geplaatst en zie al een tendens: de lezers vinden de ophanging van Saddam over het algemeen prima. Ik heb zelf ook gestemd: onacceptabel. O ja, ik heb ook al de eerste moppen gehoord over het drama en de leukste noteer ik in deze column om de sombere toon wat te doorbreken. Zegt een man: “Ik had zaterdagochtend Saddam nog aan te telefoon, en wat denk je: zomaar opgehangen!”

Hein Bloemink
januari 2007

===
Windvlaag

De vlam van Fijke Liemburg laaide hoog op tijdens zijn gloriejaren. Het vuur in zijn betogen als raadslid. Vlammende pleidooien als wethouder. Vurig waren zijn debatten, vonkend zijn ogen. De vlam begon te doven tijdens zijn laatste twee jaren als wethouder, waarin hij zich in een bijrol geplaatst voelde. De vlam herrees even uit de oude as toen hij burgemeester werd in een slangenkuil, maar werd toen fletser en fletser. Vol ambitie, zijn gevoel volgend, ontstak hij het vuur weer in De Lanteern, nieuw avontuur. Maar vuur heeft zuurstof nodig. Bijna geblust vond hij zichzelf terug in een boze droom, waar een dolk, vermomd als zakelijkheid, in zijn rug werd gezet. Vlam werd pitje. Het pitje werd definitief gedoofd, zaterdag 25 november. Waarom, Fijke, waarom? Iedereen waagt zich nu aan een analyse van de vlam. Waarom werd die gedoofd en door wie. Wanneer begon het? In gesprekken overal in Haren hoor je hoe mensen Fijke Liemburg’s leven nu verdelen in periodes. De periode raadslid, de periode vader en echtgenoot, de eerste periode wethouder, de laatste periode wethouder, de periode Menterwolde, de periode Lanteern, de periode ziekte. Men zoekt naarstig naar hét moment dat Fijke’s vlam begon te doven en hoopt op die manier de oorzaak te kunnen opsporen. Was het Menterwolde of was het Noordlaren? Het is heilloos, we zullen het nooit weten. Zijn vrouw en kinderen zullen het misschien nooit weten en zelfs Fijke zelf niet. De menselijke geest is alom aanwezig, maar het denken is niet tastbaar, zelfs je eigen denken niet. Ik ben dus gestopt met het analyseren en het zoeken naar hét moment. Ik stel gewoon vast dat deze man, wiens passie en op-en-top Harenaar zijn ik altijd heb bewonderd, was opgebrand. De laatste keer dat ik hem zag was in de avondschemering, ik herkende hem aan zijn gebogen gestalte. Hij maakte een avondwandeling. Fijke, op gevoel geleefd, alle brandstof opgebruikt. Dan kan één windvlaag de vlam, op zomaar een zaterdagochtend in november, doven en daar is niets aan te doen. Accepteren als begin van zijn nagedachtenis. Haren zal Fijke Liemburg missen.

Hein Bloemink, 1 december 2006

Guus

Het leven is soms net een pan met soep waar je met een pollepel in roert. Altijd in beweging, maar in het hart staat het stil. In die stille momenten steek ik graag een sigaar van Guus Ennes op en dan ga ik lekker nadenken over ingewikkelde levensvragen. Heerlijk, van alle kanten moeilijke thema’s belichten. Theorietjes bouwen en afbreken. Het is voor mij erg belangrijk dat ik uiteindelijk tot een conclusie kan komen, zelfs bij levensvragen. Als ik zulke kwesties niet kan afronden, kan ik ze ook niet onder mijn hersenpan ‘parkeren’, dan blijven ze spoken als mensen die op een drukke dag rondjes blijven rijden op zoek naar die ‘parkeerplaats’. Neem nou zo’n vraag als: houdt het leven écht op als je doodgaat? Toe maar! Eigenlijk weten we in ons leven maar één ding echt zeker en dat is dat we doodgaan. Die zekerheid geeft ons, gek genoeg, geen rust. Dat komt doordat we niet weten wat daarna komt. Er is nu eenmaal nog geen radar die het hiernamaals kan scannen. Dus houden we ons vast aan stemmen, die uit de hemel opgevangen zouden zijn. We hechten waarde aan ‘het gevoel dat iemand nog bij je is’, ook al leeft die niet meer. We breien ons verhaal rond, of liever gezegd, we breien nog een stukje aan het leven vast, omdat we het moeilijk vinden het definitieve einde te aanvaarden. Zelf worstelde ik vele jaren met de vraag of de dood werkelijk het einde van het bewustzijn betekent. En opeens kan dan het antwoord op die vraag in je opkomen. Zomaar, op een avond met een sigaar van Guus tussen de lippen. Pats, dan weet je het! Wat betreft het leven na de dood zeg ik nu: ja, met de dood houdt alles op. Het ligt geheel in de lijn van de natuur, dat met ons lichaam ook de geest ophoudt te bestaan. Immers, voordat ik verwekt werd bestond de wereld al heel lang en daar herinner ik met niets van. De periode voor mijn bestaan is het ‘grote niets’. Ik heb geen enkele reden om aan te nemen, dat er na mijn dood iets anders zal zijn dan het ‘grote niets’. Ik steek dus met een blije zucht nóg een sigaar van Guus Ennes op. Ziezo, weer een moeilijke kwestie opgelost. Die vraag tergt me niet langer. Lang leve het leven!

Hein Bloemink november 2006

Doodse stilte

Sommige gebeurtenissen kan zelfs een columnist niet in woorden vangen. Zoals op die dag dat een moeder in dat Harense verpleeghuis aan haar laatste minuten begon. Na een leven van 86 jaren! Rondom stonden haar zes kinderen die zich ondanks alle verschillen, door deze gebeurtenis onder één noemer lieten brengen. In volkomen harmonie met haar, met elkaar en met het onafwendbare. De verzorgende, die professioneel en met compassie haar leidende hand uitstrekte en de weg wees. Die stille seconden erna. Doodse stilte. Sommige gebeurtenissen zijn ook voor een columnist met grote schrijfdrang té groot om in woorden te vangen. Hij doet er verstandig aan op zo’n moment zijn kolom een keertje leeg te laten.

Hein Bloemink
september 2006

Ode aan de kunst

Kunstenaars waren excentrieke figuren. Hun kunst werd door de overheid bekostigd en bleef hangen in BKR-kelders. Kunst was een verzameling onbegrepen baksels en brouwsels. Aldus een dwarsdoorsnede van mijn ideeën over kunst toen ik vijfentwintig was. Het was een overzichtelijke wereld toen. Nu, twintig jaar later, zie ik kunstenaars als mensen die de moed hebben om excentriek te zijn. Zich kwetsbaar opstellen door kunst te maken, terwijl niemand ze ertoe verplicht en deze nog aan anderen tonen. Nu denk ik dat kunst een manier is om de wereld te kleuren, te versieren, zonder het eeuwige beredeneren of verklaren. Het enige dat je als kijker hoeft te doen is van binnen het luikje openzetten, de kunst toe te laten en vervolgens te registreren of je het leuk vindt of niet. Je gevoel laten spreken. Als je dat luikje eenmaal hebt gevonden zul je merken dat je vaker dan vroeger iets ‘leuk’vindt, of zelfs ‘erg mooi’. Als je dan nóg een stapje verder gaat zul je merken dat een schilderij, muziekstuk of beeld je ook werkelijk kan ráken. Als je eenmaal de vaardigheid hebt om kunst te plaatsen in de context van je eigen herinneringen, je eigen kijk op het leven! Een kunstwerk kan je dan opeens terugvoeren naar je moeder, je vader, je jeugd en als je een beetje gek doet misschien zelfs wel naar je toekomst! Kunst kán dat, omdat er geen wet is die voorschrijft dat er kunst gemaakt moet worden. Kunst ontstaat, zoals water opwelt in een bron. Kunstenaars worden gedreven door creativiteit, niet door een dwingende dwang! Kunst is het resultaat van een samenspel tussen de menselijke geest en diens handen. Dat maakt kunst tot een uniek product. De kunstmarkt in Haren zorgt dat ons geliefde dorp eens per jaar een trefpunt is van kunstenaars en kunstliefhebbers. We gaan weer kijken tussen al die duizenden kunstwerken of er iets is dat ons ráákt. Spannend! Niet vergeten je luikje wagenwijd open te zetten die dag.

Hein Bloemink augustus 2006

Vuile was

In de april uitgave van deze krant stond het levensverhaal van Mariska Sloot uit Haren. Dat verhaal heeft overwegend positieve reacties opgeroepen, maar ook negatieve. Een veelgehoorde vraag was waarom iemand ‘de vuile was buiten hangt’. Het stellen van die vraag houdt ook al een kritisch oordeel in. Het zat me dwars en ik vroeg mij af of ik er misschien verkeerd aan had gedaan om deze dorpsgenote tot totale openhartigheid te verleiden. Nee, is mijn conclusie. Wie na het lezen van het verhaal vindt dat het een verhaal over ‘vuile was’ is, heeft de kern niet begrepen. Het verhaal ging over de worsteling in een jong mensenleven. Maar vooral over moed, doorzettingsvermogen en vertrouwen op betere tijden. Het was het verhaal over de tienermoeder, die vanuit calvinistisch oogpunt een zondig en onfatsoenlijk kind was. In werkelijkheid was het een tienermoeder die dwars door tegenslagen heen bleef houden van haar kind, het beschermde en verzorgde. Het verhaal ging over het keerpunt en eindigde blij. Mensen die hun benauwde blik op de wereld niet willen vertroebelen met de moeizame ervaringen van iemand anders noemen dat ‘vuile was’ en hebben een bril nodig. Een bril die bekrompen vooroordelen filtert en de blik scherp zet op de positieve kwaliteiten van andere mensen. Een bril die je door het vernis laat kijken naar wat iemand werkelijk is en doet. Die je de ogen opent voor de kracht van iemand die met gespierde armen zijn eigen rolstoel voortbeweegt in plaats van voor zijn verlamde benen. Die je de ogen opent voor de doodzieke die nog lacht in plaats van voor het kale schedeldak onder diens pruik. Een bril, die je de oerkracht toont van een tienermoeder, die tegen de klotsende golven van het leven haar weg zoekt en vindt. Laat ik mijn betoog voor de bekrompenen maar weer even terugbrengen naar het niveau van de ‘vuile was’. Hoe kan ik iets schrijven over schone was zonder het over de vlekken te hebben? Beide horen bij het leven!

Hein Bloemink (mei 2006)

Winkeltrouw

(Deze column is geschreven ter gelegenheid van het afscheid van Henk en Elsbeth Boomker, die hun winkel in mei overdragen aan hun opvolgers. De tekst is geplaatst in de speciale Boomker Krant, die rond 5 mei is verspreid in Haren).

Winkels geven kleur aan een dorp. Winkels waar je als kind kwam vergeet je nooit, in veel jeugdherinneringen komen winkels voor. Weet je nog wel, die bakker met die bochel? En weet je nog hoe lekker het rook in die schoenenzaak? En dan het magische plakje worst, dat je over de toonbank werd aangereikt. Een knikje van je moeder betekende een tijdelijke ontheffing van het verbod om van volwassenen iets aan te nemen. Winkeliers waren vroeger prominente dorpelingen. Als zij een ommetje maakten, kwamen ze pas laat thuis. Praatje hier, praatje daar. Concurrerende winkeliers hadden vaak een eigen schare klanten die hen trouw was en vaak was de kerk waartoe de winkelier behoorde bepalend. Winkeliers in Haren verdienden hun boterham in eigen dorp en dat is opmerkelijk. Het dorp was immers kleiner dan nu en toch hadden winkeliers een bestaan. Dat komt volgens mij doordat de consument winkeltrouw was. Enerzijds trouw aan de winkelier in diens rol van winkelier. Anderzijds trouw aan de winkelier in diens rol als dorpsgenoot. Aan een dorpsgenoot gun je de klandizie nu eenmaal eerder dan aan iemand ‘van ver’. De laatste decennia is er veel veranderd in de mini-economie die middenstand heet. Winkelketens, gestudeerde bedrijfsleiders, sales-assistents, regiomanagers. Achter de toonbanken in Haren zien we steeds minder dorpsgenoten. Steeds minder winkeliers die in Haren wonen, die er hun kinderen naar school brengen of waarvan desnoods schande gesproken wordt. Met name filiaalbedrijven zijn duiventillen. De bedrijfsleider van nu is morgen vervangen door een ander. Vaak kennen ze alleen de route van de snelweg naar hun winkeldeur. Haren is op het spoor van hun loopbaan geen hoofdstation, maar een tussenstation. Om zes uur vertrekken ze naar elders, de volgende ochtend om vijf voor negen komen zij terug. Hoe kunnen wij van hen de diepe binding met ons dorp verwachten, enkele positieve uitzonderingen daargelaten? Logisch dat de consument minder trouw wordt. Logisch dat winkeliers steeds meer moeite hebben om zich te verenigen in een activiteitencommissie. Het proces is niet omkeerbaar. Het is de nieuwe tijd, die nog eens wordt gemarkeerd door het afscheid van zo’n drie-generaties-winkeliers-familie: Boomker, boekverkopers.

Hein Bloemink , mei 2006

Klaar over!

De jeugd heeft bijna alles. En dat is jammer. Het ontbreekt veel kinderen in Haren daardoor namelijk aan de lust om te knokken voor ambitie, voor het eigenhandig vervullen van wensen op het gebied van elektronica of gsm’s en voor het bereiken van idealen. Natuurlijk generaliseer ik. Natuurlijk ga ik te kort door de bocht. Natuurlijk geldt mijn beoordeling niet uw en mijn kinderen, stel je voor! Wat ik slechts duidelijk wil maken is dit: kinderen bij wie alles komt ‘aanwaaien’ zullen zich wel twee keer bedenken voordat zij zich inspannen om het begeerde zelf te verdienen. Als een kind vanaf de dag dat het kan lopen niet meer hoeft te lopen, maar op een nieuwe fiets wordt gezet, zal niet meer lopen. Een kind dat vanaf de dag dat het kan fietsen niet meer hoeft te fietsen, maar achter in de spacewagon wordt geladen om naar de basisschool te worden getransporteerd, zal niet meer fietsen. Geef het kind eens ongelijk! Echter als het kind ooit als tienager zijn eigen boontjes te doppen krijgt, zou dat weleens een cultuurshock kunnen zijn. Dat is ons als opvoeders te verwijten en ik (vader van drie ferme dochters) ben de eerste om op dit vlak schuld te bekennen. Ik ben geen haar beter! Ik zie nu een generatie jeugd die nauwelijks meer is te verrassen, want ze hebben als kind alles al (gehad). Een groot deel van hen is gelukkig bijtijds in staat om zich ‘om te scholen voor het echte leven’. Een klein deel evenwel zet de verveling om in vernielzucht, zoals we deze maand in Haren weer hebben kunnen zien. Hoe kunnen we het tij keren? Een stapje in de goede richting werd mij laatst aangereikt door een Harense politica. Zij pleit voor de terugkeer van verkeersbrigadiers. Door de inzet daarvan maken we enerzijds kinderen verantwoordelijk voor een serieuze taak en anderzijds maken wij het andere kinderen mogelijk om weer te voet of per fiets naar school te gaan. Door weer en wind, zo is immers het leven! Niks spacewagon van pa of moe. Niks in het buffelleer van de 4×4 op het schoolplein parkeren, deurtje open, kindje eruit! We beginnen weer bij het begin. Als je dichtbij school woont: eigen benen gebruiken. Een kleine stap voor het kind, een enorme stap voor de mentaliteit van een nieuwe generatie.

Hein Bloemink april 2006

Man in twee delen

Ik zit in de ontvangsthal van een verpleeghuis in Groningen te wachten. Een broze dame komt de toegangsdeuren binnen, ze duwt een rolstoel voort met daarin de man met wie zij vermoedelijke een leven samen was. De man zit wat onderuitgezakt en kijkt beteuterd. Zijn mond zwijgt, zijn ogen zeggen: ‘Het mot, punt uit.’ Hij mist een been, want in zijn slappe broekspijp tekent zich een stomp af. Ik hoor hoe de vrouw bij de balie meldt dat zij haar man ‘komt brengen’. In een mum van tijd stapt een prompte gastvrouw op haar af om het stel welkom te heten. De man heft even zijn blik op en slaat dan de ogen weer zonder interesse neer. Zijn vrouw hoor ik zeggen: “Ik moet nog even terug naar de auto, want daar ligt het been van mijn man nog in de kofferbak.” Ze gaat weg en komt even later met het been weer binnen. Dan verdwijnt het drietal een gang in. Het tafereel raakt me. Vooral de nuchterheid raakt me. De berusting in de situatie. Ik denk: Vrouw brengt haar man in twee delen naar het verpleeghuis. Einde van de eenheid.

Hein Bloemink
april 2006

Snackbar Euroborg!

Een paar weken geleden had ik het voorrecht om in de Euroborg de wedstrijd FC Groningen-Ajax te mogen aanschouwen. Wat een stadion, wat een sfeer. Zoveel eendracht maakt je nederig en blij tegelijk. Schorgeschreeuwd keerde ik na de wedstrijd huiswaarts, Groningen had Ajax de les gelezen met 3-2. Tijdens de wedstrijd heb ik mijn ogen uitgekeken aan het merkwaardige gedrag van veel mensen om mij heen. Ik zag tijdens de wedstrijd namelijk doorlopend mensen (al dan niet met overgewicht) de stoeltjes verlaten om op weg te gaan naar de snackbar in het stadion. Een gestage stroom gasten zag ik met hongerige blikken het spannende voetbalspel verlaten om vervolgens terug te komen met handen vol eetwaar, bier en frisdranken. Verdraaid handig wist men bakjes friet, kroketten, frikandellen en bekertjes in twee pofferige klauwen te klemmen, gelukzalig lachend en met het dorstige schuim in de mondhoeken. Daar scoorde Groningen, wat een feest! Feest? Ik heb honger, ik ga weer eten! Tijdens prachtige spelmomenten zag ik de volgende horde eters alweer opstaan, op weg naar de grote verzadiging. Het heeft tot in de tweede helft geduurd tot ik tot de onstellende conclusie kwam dat deze mensen hun prijzige seizoenskaarten vooral hebben aangeschaft als een soort consumptiebon. Ze gaan op zondag naar de Euroborg om te eten en ze gedogen dat er ook nog wordt gevoetbald. Zij moeten ’s avonds door huisgenoten wel worden ontvangen met de vraag of het heeft gesmaakt, over de score wordt niet gesproken. Wat een omslachtige manier van eten! En tot overmaat van ramp zie ik honderden mensen in de laatste, beslissende minuten op hun klokje kijken en opstaan. Ajax makt bijna gelijk, maar dat boeit niet! Het buikje rond en nu naar huis. Voor de meute aan, dan hoef je op de parkeerplaats niet in de file te staan. Weg zijn ze. Ik heb voor die mensen een advies. Ga naar de McDrive. Da’s goedkoper, je bent sneller dik en je hebt bovendien geen last van 20.000 hysterische voetbalfans die je storen tijdens het verteringsproces. Leve de Euroborg, de grootste snackbar van Groningen!

Hein Bloemink
april 2006

‘De laatste kamer’

Niets is zeker in ons leven. De toekomst valt niet te voorspellen, behalve dat wij ooit ophouden te bestaan. We noemen dat ook wel: sterven. Het einde van ons leven kent vele regisseurs. Ziekte, ongeluk, op eigen verzoek. Het zou ideaal zijn als lichaam en geest gelijke tred houden, zodat we min of meer vitaal onze laatste adem uitblazen. Helaas zit de natuur er vaak naast en laat mensen de laatste periode lichamelijk aftakelen of juist geestelijk. Ik kom vaak in verpleeghuis Dilgtoord in Haren en ben daar getuige van de laatste fase van mensenlevens. Op de afdeling psychogeriatrie worden demente mensen door vitale medewerkers professioneel begeleid in hun broze bestaan. Demente mensen, die steeds meer vaardigheden in het leven inleveren, totdat zij terug zijn bij hoe het ooit begon: niet in staat behoorlijk te praten, te lopen, naar het toilet te gaan, zich aan te kleden. In Dilgtoord komen zij tenslotte allemaal terecht in ‘de laatste kamer’. Ik ken die kamer halverwege de gang. Als daarvan de deur openstaat en het licht er brandt, dan is er een merkwaardig soort ‘leven in de brouwerij’. Dan verzamelt zich daar familie om te waken bij het bed van iemand die sterven gaat. Gisteren was het weer zover. En vandaag was ik er weer en zag dat de deur dicht was en het licht gedoofd. Dan weet je genoeg. Er is een leven voorbij van iemand die er al was voordat ik bestond. Ik sprak even met een medewerkster en zij vertelde me dat personeel net zo goed de emotie voelt als iemand doodgaat. Niks ‘hardheid’ of ‘het is mijn werk’. Het gaat om een mens die hier soms jaren woonde, waarmee verzorgenden een band hebben opgebouwd. Juist in de laatste fase van iemands leven, waarin de kaars langzaam dooft, kan die band hecht zijn. Het is een relatie die wordt gekenmerkt door volkomen afhankelijkheid. Juist die afhankelijkheid leidt tot een bijzondere vorm van intimiteit tussen verzorgenden en bewoners, merk ik. Mensen die dit werk in verpleeghuizen doen vinden meestal de balans tussen die intimiteit en de zeer praktische kant van het aan- en uitkleden, wassen, poep opruimen, medicijnen, eten en drinken geven. Zij begeven zich iedere keer weer in die relatie met de mensen die zij begeleiden tot in (uiteindelijk) ‘de laatste kamer’ van het bestaan. En toch wordt het geen routine. Voor mensen die in een verpleeghuis werken heb ik bewondering.

Hein Bloemink (februari 2006)

Duur!

Waarom kun je in Pieterzijl of Hoogezand nog een betaalbare woning kopen en in Haren niet? Als ik aan een buitenstaander vertel dat ik in Haren woon, kleeft aan mij direct het vooroordeel van ‘rijk’ en ‘kouwe kak’. Beiden ben ik niet. De oorzaak van dat beeld moeten we volgens mij zoeken in het imago van Haren, dat zich keer op keer als een lekkende kraan bevestigt, totdat je er tot je knieën in staat. Het gevolg is, dat de prijzen voor wonen in Haren tot grote hoogte zijn gestegen. Dat lokt rijke mensen aan, die weer het imago onderstrepen: in Haren willen rijke mensen wonen. Vanuit die gedachte gebeurt er iets met de waarde van bouwgrond. Kost een gewone vierkante meter Harense blubber nog ongeveer tien euro, zodra er gebouwd mag worden kost dezelfde blubber een veelvoud daarvan. De eigenaar van die blubber rekent zich graag rijk en vraagt voor zijn perceeltje gerust twee miljoen. De projectontwikkelaar die het koopt is verplicht zijn nek uit te steken. Als hij jaren later alle bezwaarmakers eindelijk heeft getrotseerd (dat kost hem al een vermogen!) en een bouwvergunning voor tien appartementen krijgt, heeft zo’n appartement dus al meer dan twee ton gekost! En dan moet er nog gebouwd worden. Ook hij rekent zich rijk en mikt op ‘het hoge segment’. Hij kan niet anders! Je kunt op zo’n locatie alleen maar bouwen voor de happy few. Verkoopprijzen vanaf € 500.000 zijn geen uitzondering. Dit proces is niet meer te keren: de grondeigenaar vraagt wat de gek ervoor geeft, de ontwikkelaar wordt gedwongen zijn nek uit te steken, de makelaar vindt er de kopers wel voor. En aldus is de volgende vierkante meter bouwgrond in Haren opnieuw duurder geworden. Zo stapelt het imago van Haren zich op tot onbetaalbare nieuwbouw en dat vind ik jammer. Een dynamische doelgroep jonge gezinnen met normale inkomens krijgt geen kans. De enige die deze trend kan doorbreken is de gemeente. Die bezit al grond. Neem nu het plantsoen aan de Vondellaan. Zet daar twee flatgebouwen neer. Eén voor senioren en één voor starters. Prijs per appartement € 140.000 onder de voorwaarde dat je alleen duurder mag doorverkopen volgens de prijsindex. O help, bespeur ik nu bij mijzelf communistische trekjes?

Hein Bloemink, februari 2006

Afwasteiltje

Ik wil graag een ode brengen aan mijn afwasteiltje. Het plastic ding is ‘jaren-70 oranje’ en vierkant. Hij past precies in de gootsteen. Sinds 1980 doe ik in dit teiltje de afwas, omdat ik op het gebied van afwassen een voor mannen afwijkend standpunt inneem: ik vind afwassen leuk. Afwassen geeft mij het gevoel dat ik in een ordelijke methodiek iets nuttigs doe. Als de vaat is gedaan en blinkend in de kast staat is het aanrecht weer een plaatje en het hele gezin kan weer beginnen met het vervuilen van borden en glazen. In de bouw noemen ze het: Je brengt wat in het zicht. Mijn afwaswerk is ook een uitstekend moment voor nadenken over werkelijk alles. Zware levensvragen, lichte thema’s, opvoedingskwesties, alles valt te overdenken terwijl de handen zich door het weldadige sop bewegen. Het teiltje is mij in de loop van de afgelopen 27 jaar dus dierbaar geworden. Het werd het dompelbad van het denken toen ik 19 jaar was en is dat nog steeds nu ik 44 jaar ben. Als dat teiltje eens kon vertellen wat ik allemaal heb gedacht en beleefd boven de schuimkoppen. Het afwasteiltje is onbeschadigd gebleven, maar wel wat uit de mode geraakt door zijn kleur. Mijn vrouw heeft een jaar geleden de euvele moed gehad mijn teiltje zonder overleg te vervangen door een nieuw prutsgeval. Ik heb als daad van verzet mijn oude teiltje weer uit de garage gehaald en teruggeplaatst in het kastje onder de gootsteen. Het oranje afwasteiltje is daarmee geworden tot mijn monument van verzet tegen het ‘weggooien omdat er weggegooid dient te worden’. Ik ben van mening dat dit teiltje mag blijven zolang het functioneert. Bovendien mag dit teiltje blijven, omdat het de status van herinneringswaarde heeft bereikt. Dat lukt maar heel weinig afwasteiltjes trouwens. Dat ligt niet aan hen, maar aan de gebruikers ervan, die zich niet meer afvragen of het afwasteiltje nog steeds zijn werk goed doet, maar of het niet eens tijd wordt voor een nieuwe. Zomaar. Ik pleit voor een wegwerp-protocol dat zegt dat iets pas weg gaat als het kapot is. Leve mijn afwasteiltje.

Hein Bloemink, januari 2006

“Flappie”

Konijnenliefhebbers kunnen deze column beter niet lezen, u bent gewaarschuwd! We naderen het kerstfeest en ik moet denken aan ‘Flappie’, het onvergetelijke lied van Youp van ’t Hek over een konijntje dat met kerst in de braadpan eindigt. Het verdriet van de kleine Youp is hartverscheurend. Althans, dat vond ik tot enkele jaren geleden. Nu denk ik daar anders over. Dat komt door een konijnentragedie bij ons thuis. Op pakjesavond 2003 bracht Sint twee snoezige langoortjes en meldde dat het ’twee zusjes’ waren. De pluizebolletjes kregen bij ons een goed tehuis. In het voorjaar bouwde ik van het mooiste hout een ren met binnenverblijf en het huisje-boompje-beestje was compleet. In april was de verbijstering enorm toen zich in het stro plotseling kleine gehaktballetje bleken te bewegen! Ongelofelijk, waartoe die ’twee zusjes’ in staat waren. Maar liefst vijf nakomelingen. We vermoedden welk noodlot ons te wachten stond. Naar de dierenarts, die tegen betaling bereid bleek de beestjes tussen de pootjes te kijken en het geslacht vast te stellen. Allemaal kereltjes, luidde zijn verlossende diagnose. Later dat jaar bouwden we een enorme ren en wat was het lollig te zien dat de diertjes holletjes gingen graven. Het vrouwtje hielden we natuurlijk apart, nu kon er niets meer gebeuren. Op een nazomerdag kreeg ik de schrik van mijn leven, want uit dat holletje paradeerden plots zes jonge konijntjes. Ik was radeloos en haalde de hooivork tevoorschijn om naar de Jeep van de dierenarts op te rukken (met name naar de banden daarvan). Ik kwam bijtijds bij zinnen, maar begon sympathie te krijgen voor de vader van de kleine Youp uit het liedje. We hadden nu dertien Flappies. Met veel moeite hebben we onder valse voorwendsels wat diertjes kunnen weggeven en door een ingreep van de natuur is er ook wat doodgegaan. Om mannen en vrouwen definitief te scheiden heb ik in het totaal vier hokken in de tuin geplaatst, Nienoord in Haren! Mijn afkeer van deze beesten werd steeds groter door die vreselijke voortplantingsdrift, maar ook door de totale afstandelijkheid tegenover ons. Je kon ze niet eens oppakken! En ze onsnapten altijd op de ongunstigste momenten, dan renden we hier als dwazen met wasmanden door de tuin. Op het laatst staakten we die strijd en lieten ze lopen. Deze zomer hadden we er aldus nog drie over en die zijn door dezelfde dierenarts onschadelijk gemaakt voor wat betreft hun voortplantingsorganen. Mijn zwager zou zeggen: “Ze hebben de wapens ingeleverd!” En wat gebeurt er: kort na die diepte-investering zijn ze op 12 augustus tijdens onze vakantie alledrie tegelijk overleden. Vermoedelijk geschrokken van een hond, hartverlamming, dood! Het hok was eindelijk leeg, de familie kon aan de koffie! De moraal van deze tragedie: Geloof niemand (ook al is het Sint) die je twee konijntjes brengt en zegt dat het ‘zusjes’ zijn. Geloof de dierenarts niet als hij zegt dat ze allemaal van hetzelfde geslacht zijn. En tenslotte: zorg tijdens je vakantie dat er een hond op je konijnen past. Ik wens u prettige kerstdagen!

Hein Bloemink

december 2005

Geef gas!

De knappe denkers in de top van de Groninger regiopolitie hebben aan hun ebbenhouten burelen besloten dat politiemensen tijdens spoedritten de toegestane maximumsnelheid nog slechts op beperkte schaal mogen overschrijden. Het zou de verkeersveiligheid in het algemeen bevorderen en de persoonlijke veiligheid van politiemensen in het bijzonder. Wat een blunder! Beledigend voor politieagenten en wellicht ooit nog eens schadelijk voor mij als burgerman in nood. Politieagenten dragen een geladen pistool, waarmee zij op straat willekeurige passanten zouden kunnen neerschieten. Ze hebben een gekleurd busje pepperspray op de heup hangen, waarmee zij in een vlaag van verstandsverbijstering een bejaarde dame het licht uit de ogen zouden kunnen spuiten. Ze hebben handboeien bij zich, waarmee zij tijdens een twist hun buurman kunnen ketenen. Die politieagenten worden ingezet als ME-er en in die rol kunnen zij dwarsliggers met hun wapenstokken afranselen. Het zijn dezelfde dienders die het mandaat hebben om bij ons naar binnen te gluren, gesprekken af te luisteren en op wiens woord in de rechtszaal wordt vertrouwd. Ze mogen mensen op straat onbeschaamd naar hun legitimatie vragen en als het hun goeddunkt mogen zij mij morgen met harde hand oppakken en vier uren in een cel opsluiten. Ja, deze geuniformeerde mannen en vrouwen kunnen mij met mijn auto staande houden, mij gedwee in een pijpje laten blazen en mij een bekeuring geven. Ik word geacht vertrouwen te hebben in de hulp van deze mensen als ik word bedreigd. Mijn gevoel van veiligheid in deze wereld is gebaseerd op dit vertrouwen. Als mij een ongeluk overkomt en ik ben in hoge nood, vertrouw ik op het geluid van de naderende sirene. Goed dat er politie is! Maar hoe naief ben ik? Wat bazel ik? Wat bezielt mij om te vertrouwen op roekeloze kerels die kennelijk een gevaar op de weg vormen als zij hun blauwe lampjes laten zwaaien? Als hun eigen bazen niet kunnen geloven dat deze dienders risico’s kunnen inschatten, hoe moet ik dan weten dat zij dat pistool wel waard zijn? Hoe onprofessioneel zijn die jongens en meisjes dan wel, dat zij tijdens hun rit een gevaar voor voetgangers en fietsers zijn? Als de moeder van een chirurg haar zoon nog moet helpen met het eten met mes en vork, laat ik hem dan mijn blindedarm verwijderen? Niks ervan. Als de knappe denkers van de politie hun dienders kennelijk beschouwen als ongeleide projectielen zodra die onder druk komen te staan, dan etaleren deze bazen een ongekende neerbuigendheid naar politiemensen. Criminelen met snelle scooters en auto’s lachen. Mensen in nood huilen. Dienders in Groningen: als elke secone telt…geef gas, veel gas! Ik schenk u mijn vertrouwen.

Hein Bloemink november 2005

Later

Ik ben in 1961 in Haren geboren met een koffer in de hand. Op die koffer stond het simpele woord: ‘later’. De koffer was eerst leeg, maar al snel stopte ik mijn kinderdromen erin. Later als ik groot ben! Dan word ik tennisser en win ik Wimbledon. Later word ik radiopresentator. Zo gaat dat in je kinderjaren. Toen ik wat ouder werd bleef ik toekomstplannetjes opbergen in die koffer: ‘later’. Het is zo gemakkelijk. Wensen die nog niet binnen je bereik zijn gekomen stop je in die koffer. Je hebt dan het gevoel dat die dromen de tand des tijds wel zullen doorstaan. Het lastige is dat ik er een luie gewoonte van heb gemaakt om plannetjes in die koffer te stoppen in plaats van ze direct uit te voeren. Vooral als je het druk krijgt, gezin met drie prachtige dochters, coach worden van hun voetbalteams, werk. Deze krant beginnen en uitbouwen, altijd onderweg om je plichten te vervullen, de schoorsteen moet bovendien ook nog eens roken. Ooit nog eens een week in mijn eentje hoog de Alpen in, logeren in zo’n hotel boven de sneeuwgrens: ‘later’. Een reis maken door Afrika: ‘later’. Ook eens in de herfst een weekje naar Frankrijk: ‘later’. Een roman schrijven: ‘later’. Die koffer met ‘later’ werd voller en voller. En nu ik vierenveertig ben realiseer ik me dat ik die koffer al bijna niet meer kan tillen. Wat zit ie vol! Wordt het niet eens tijd er wat uit te halen? Om eindelijk eens plannetjes uit te voeren? Ik ben waarschijnlijk al over de helft van mijn leven, verdraaid! Dat betekent statistisch dat ‘later’ steeds korter duurt! Ik zie leeftijdsgenoten ziek worden of doodgaan. Heb ik nog wel genoeg tijd om die koffer leeg te maken? Moet ik het niet eens afleren om altijd maar te denken: ‘later’? Om mij heen zie ik anderen worstelen met hetzelfde probleem. Ik zie mannen die zich opeens in lederen broeken steken of hun haar als een hippie laten groeien. Ik zie mannen die hun motorrijbewijs halen, gaan kickboksen of die zich opeens in het uitgaansleven storten. Laatst sprak ik een dorpsgenoot die een maand in zijn eentje op reis gaat naar het verre oosten. Een ander koopt weer de oldtimer van zijn dromen. Zijn ze allemaal bezig hun koffer van ‘later’ uit te ruimen? Ik begin me te ergeren aan mijn ‘later-syndroom’. Het wordt tijd voor ‘nu’. Maar dat is moeilijker dan je denkt. Hoe pak je dat aan? Ben ik de vaardigheid van het ‘nu doen’ verleerd? Starend naar die koffer aan mijn voeten maak ik de balans op. Ik heb toch ook best heel veel dingen wel gedaan. Ik heb het er zelfs erg druk mee. Verwarrend. Ik kijk in de spiegel. Het zal toch niet waar zijn? Noemen ze dit nu…midlife-crisis? Ik stel dus een daad en bel de bank. Ik vraag of ik mij een piepklein huisje in de Franse Alpen kan permitteren. Hupsakee, niet ‘later’ maar nu. Zegt die man dat hij me ‘later’ even zal terugbellen met het antwoord. Later! Da’s nu twee weken geleden, nog niks van gehoord. De sukkel!

Hein Bloemink oktober 2005

Happy End

De afgelopen zomer heb ik aan den lijve ondervonden wat het begrip ‘happy end’ eigenlijk betekent. Wij hadden via internet een vakantiehuisje geboekt in het Italiaans kustplaatsje Albegna en dat huisje werd onze kwelgeest. Eenmaal in het stadje aangekomen begonnen wij ‘m al te knijpen. Wat op internet een schilderachtig stadje werd genoemd, bleek een verveloos achterstandsplaatsje te zijn. Wat ons was beschreven als een buurt met tuinderijen, bleek een bedrijventerrein met witgekalkte kascomplexen te zijn. En tot overmaat van ramp: wat ons was verhuurd als ‘een bungalow op het park’ bleek een soort zeecontainer te zijn. Eén dochter moest via een buizenstelsel in haar kooi kruipen en de andere dochter moest zich voor de nacht laten insluiten in een inloopkast. De website had ons een foto getoond van een eigen tuintje, maar wegens drukte had de eigenaar daar een tent laten plaatsen van andere vakantiegangers. Als de rijzige moeder van dat gezin iets uit haar tent moest halen ging ze met haar rug naar mij toestaan en bukte in haar bikini zodanig, dat ik vanaf mijn ‘zonneterras’ het uitzicht kreeg op een heel ander berglandschap dan mij was voorgespiegeld. Het was, kort en goed, een vreselijke accommodatie. Reeds de eerste avond hebben we de plannen voor de aftocht gemaakt. Mijn broer in Groningen heeft voor ons via internet een andere accommodatie op slechts een half uurtje afstand kunnen reserveren (de held). Peperduur, maar o wat was het heerlijk in dat appartement met uitzicht op het schitterende heuvellandschap, de olijf- en de perzikbomen! Het zwembad was verkoelend en de wandelingen weldadig. We konden er een weekje blijven, dus onze vakantie was gehalveerd. Maar in die ene week hebben we genoten alsof het twee weken waren. Onderweg naar huis realiseerde ik me, dat de valse start in die vakantiecontainer een heilzame werking had gehad op het vervolg. Juist door het contrast konden we ons openstellen voor al het goede in het leven! Je hebt kennelijk de nacht nodig om de zon te waarderen. Kou om daarna van warmte te genieten. Dorst om gulzig water te kunnen drinken. Ziekte om je daarna gezond te kunnen voelen. Ik moet denken aan dat mopje van die man die met zijn hoofd tegen de muur bonkt omdat het zo heerlijk is om er daarna mee te stoppen. Een happy end overkomt je dus niet, je kunt het zélf maken.

Hein Bloemink

Op de fiets naar Breda?

Mijn conditie is wat je noemt ‘huis tuin en keuken’. Maar eens per jaar ga ik mij te buiten aan een sportieve gebeurtenis die voor lieden als ik wel heel bijzonder is. Ik ga ver fietsen. Op een te kleine herenfiets zonder versnellingen (van het merk Simplex) en met de fietstassen afgeladen met energiereepjes, broodjes, bananen en drinken, koers ik in de richting van een verwegdoel. In 2002 fietste ik naar Amsterdam. In 2003 naar Nijmegen en in 2004 naar Bergen aan Zee. Het is prachtig om in gestaag tempo, zo’n 18 km/u in de juiste richting te trappen. Het gaat niet snel, maar je bereikt uiteindelijk je doel. Net als echte sporters wilde ik dit jaar mijn grenzen eens verleggen. Ik wilde twee dagen fietsen en dan de provincie Zeeland bereiken. Dat klinkt zo leuk: van Groningen naar Zeeland. Woensdag 17 augustus om 5.00 uur stapte ik in de zwarte duisternis der nacht op en reed via Assen naar de Smildervaart. Ieder uur stapte ik vijf minuten af voor eten, drinken en desgewenst een plasje in een coniferenheg. Na Meppel (8.45 uur) fietste ik naar Zwartsluis, via het pontje naar Genemuiden, dan naar Kampen (10.45 uur). Een mooie weg naar Elburg en dan de Veluwe in. Via Nunspeet bereikte ik Harderwijk (14.00 uur). Dan even een dipje, de vraag waarom ik het eigenlijk doe. Volgens plan bereikte ik Nijkerk rond 15.00 uur en kon toen richting Bunschoten fietsen in westelijke richting. Daar stonden de eerste bordjes met ‘Baarn’. Via Baarn fietste ik door prachtige groene lanen (Soest, Lage Vuursche, het lijkt Haren wel!) naar Bilthoven, waar ik een Bed & Breakfast had gereserveerd. Om 16.45 uur fietste ik daar de tuin in, 185 km verwijderd van mijn eigen tuin, die ik in het donker had verlaten. Het kopje koffie, dat mij werd aangereikt in de schaduwrijke tuin, was weldadig. In een mum van tijd zat ik in een geanimeerd gesprek met de heer des huizes. Ik vind het leuk om vrij neutraal te melden dat ik uit Haren ben komen fietsen en ik oogst dan graag de bewondering. Het echtpaar in Bilthoven was een dankbaar doelwit, ze vonden het prachtig en ik glom. Ik herinner me daarentegen mijn Bed & Breakfast Lady in Nijmegen destijds. Die reageerde op mijn mededeling slechts met “oh” en ik was in zak en as. Alsof ik een rondje om de kerk had gefietst, verdraaid! De tweede dag vertrok ik uit Bilthoven om half 9 en ging verder Zuidwaarts via Utrecht, Vianen, Gorinchem en Oosterhout. Om half 4 bereikte ik een zonovergoten Breda en daar stapte ik af. Ja, ik had nog ruim 40 km voor de boeg voordat ik Zeeland bereikte, maar de pijp was gedoofd. Mijn benen waren niet moe, maar mijn hoofd wel. Het is ongelofelijk hoeveel je te verwerken krijgt als je zo’n stuk fietst! In de eerste plaats denk je heel veel diepe gedachten, dat kost al energie. Dan denk je aan gewone dingen, aan je alledaagse leventje en je werk. Dan heb je nog eens het denken aan je route, aan je voeding en vocht. Daar komt bij dat je je geregeld afvraagt waarom je dit eigenlijk doet. Tenslotte wil je ook nog deuntjes neurien (die blijven in je hoofd hangen) en ook nog genieten van de mooie omgeving. Ja, je hebt het erg druk op de fiets. Geestelijk ben je niet leeg, maar juist boordevol. En in die sfeer komt het erg ongelegen als je wordt geplaagd door kiespijn, wat mij overkwam. En tot overmaat van ramp ben ik de tweede dag een paar keer verkeerd gereden. Dwalen door gehuchten en dorpen, in nieuwbouwwijkjes gedoold en tenslotte op een industrieterrein van Oosterhout bij de Jamin-fabriek beland. Op de fiets is omrijden zeer demotiverend! Je wordt boos op jezelf en je krijgt het gevoel dat iedere afgelegde meter in de verkeerde richting verspilde energie is. Dat is ook zo! Het ondermijnt het moreel. Daarom ben ik in Breda afgestapt. Niet om lichamelijke redenen, maar om geestelijke redenen. Lichaam en geest zijn een geheel, dat is mij opnieuw duidelijk geworden. Als het lichaam niet wil, fiets je heus niet naar Breda. En als de geest niet wil, haal je Zeeland niet. En ondanks alles, zijn het onvergetelijke dagen, waarin je niet alleen je eigen vaderland verkent, maar ook de binnenkant van jezelf. En voor zo’n verkenningstocht stap ik ieder jaar weer met plezier op de fiets. Volgend jaar is mijn reisdoel: Hoek van Holland.

Hein Bloemink

Geen reacties

Wilt u reageren?




Wij plaatsen alleen inhoudelijke reacties. Reacties met voornamelijk slogans en kreten worden niet gepubliceerd.