Column Hein Bloemink (mei 2019)
Roof
Als mensen het slachtoffer worden van een misdrijf verliezen zij vaak het vertrouwen in de mensheid. In april zijn er op twee verschillende avonden mensen overvallen bij mij ‘om de hoek’. Op het stille weggetje tussen Harenermolen en zwembad Scharlakenhof werden ze van hun fiets getrokken en met een mes bedreigd. Dan komt het geweld heel dichtbij: politie in de straat, iedereen op scherp. Het was wel humor dat ik op een avond zag dat één van de buren sneaky mijn auto stond te fotograferen, omdat ik die een beetje verdacht in de berm had gezet tijdens het bellen. Maar wat mij vreselijk dwars zit is dat mijn wijkje haar onschuld is verloren. Als het donker is wordt het fietspad gemeden en ik kijk iedereen die er wel langs fietst na met bijgedachten. De drie overvallers (jongens) hebben inbreuk gemaakt op het grootste goed van mensen: vrijheid. Het fietsen langs dit fietspad is een recht. Nu moet je twee keer nadenken of je er wel langs gaat. Vorige week kwam een vriend een biertje bij ons drinken en het was na middernacht dat we overlegden over zijn terugtocht per fiets. ‘Moet ik je er even langs brengen?’ hoorde ik mezelf vragen (zoals ik vroeger mijn dochters begeleidde). En tot mijn verrassing zei hij: ‘Ja, want anders ga ik omrijden’. In stil verzet tegen deze inperking van de vrijheid pakte ik een ijzeren staaf en deed die in mijn fietstas. Ik bracht de vriend langs het ‘spookpad’ en fietste later alleen terug, voorbereid op drie schimmen, die een trauma werden voor hun slachtoffers. Er gebeurde niets, maar wél in mijn hoofd: ik was blij en had het gevoel een stukje van mijn straat te hebben heroverd. O ja, en aan de daders die (denk ik) in de buurt wonen, zeg ik: geef je aan!
1 reactie