Opbaren
Vroeger vond ik verhalen over het thuis opbaren van overledenen bizar en uit de tijd. Hoe kun je het verdragen dat iemand, die je dierbaar is, nog enkele dagen levenloos in huis is. Dat leek me eng en bepaald geen bijdrage aan het verwerken van het verlies. Vroeger was het heel gewoon. Dan bleven de gordijnen dicht, want opa lag daar bij wijze van spreken op tafel te wachten op de uitvaart. Nee, het leek mij toch heel wat beter om de overledene naar het rouwcentrum te brengen. Daar was een koude ruimte beschikbaar en tijdens het bezoekuur mocht je even kijken. Op bezoek bij iemand die niet meer leeft. Na verloop van jaren kantelden mijn gevoelens hierover. Gevoelens van weerzin groeiden als ik zag hoe een overleden persoon als het ware werd geparkeerd in de kille ruimte, zodat hij of zij het huiselijk leven niet in de weg stond. Ik weet wel, dat er praktische redenen kunnen zijn, maar het gevoel blijft. Iemand die je tot en met de laatste ademtocht dierbaar is en daarna weg moet! Onlangs heb ik van dichtbij meegemaakt hoe anders het kan. De overledene was tot zijn laatste dag gekoesterd en verzorgd en dat hield niet abrupt op. Nee, hij werd thuisgebracht, waar hij feitelijk hoorde. Hij werd ter ruste gelegd en de familie liep in en uit. Hij was en bleef onderdeel van het rouwproces en ik heb dat ervaren als een grote bijdrage aan de verwerking van emoties. Pas op de dag, dat hij aan de aarde zou worden toevertrouwd en de werkelijke afbouw van zijn bestaan zou beginnen, werd hij opgehaald voor zijn laatste rit. Nu weet ik heel zeker, dat het ‘parkeren’ in een rouwcentrum tweede keus is. Als het echt niet anders kan. Wie zich wil verzoenen met de dood van een dierbare, moet zich er niet van ontdoen zodra het hart niet meer klopt. Laat ik benadrukken, dat ik geen waardeoordeel uitspreek over mensen die tóch kiezen voor het rouwcentrum. Ik laat hier gewoon mijn eigen hart spreken en heb de woorden opgeschreven in deze column.
maart 2010
1 reactie