De krant die je leest van A tot Z
Vrijdag 10 Juli, 2026
Deze post is bekeken 330 keer.

maandag 12 december 2005

Nieuws:

KERSTVERHAAL

Door: Redactie

Op ons verzoek schreef Trees Roose uit Haren een kerstverhaal voor u. Uit haar leven gegrepen. Het verhaal is ook gepubliceerd in Haren de Krant van december.

De dakloosheid was ernstig en definitief, in mijn studententijd lang geleden. Vanwege een huurachterstand van vijfendertig gulden was ik midden in de winter uit mijn kamertje van drie bij twee meter gezet. Op zekere dag kwam ik thuis en trof mijn schamele bezittingen aan op de haveloze trap, terwijl er een glimmend hangslot aan mijn kamerdeur was bevestigd.
Ik ging wanhopig op zoek en ik weet niet meer hoe, maar op een gegeven moment kwam ik terecht bij een stichting die een hofje met kleine middeleeuwse huisjes exploiteerde. Voor bewoning moest men solliciteren bij de regentessen die deze nalatenschap van wijlen een zestiende-eeuwse weldoener beheerden. Ik ging er goed voor zitten en schreef een treurige brief over een arm meisje dat het moest stellen zonder ouders en geld, en dat heel, heel goed op zon prachtig oud huisje zou gaan passen. Veel fiducie had ik er niet in, want iedereen wilde wel in dat straatje met witgepleisterde huisjes wonen, waar de zon zo mooi op de frisse groene klimop scheen en de oude keitjes glansden in de voorjaarsregen.
Tot mijn stomme verbazing mocht ik op gesprek komen en kwam op audientie in een somber herenhuis met marmeren gangen.
De keurige, aardige, oude bestuurders waren zeer geroerd door de brief en een week later was ik het gelukkigste meisje van de stad: ik had een enorm grote, ouderwetse huissleutel in mijn zak.
Toen ik er de eerste keer kwam was ik helemaal aangedaan. Een voordeur! Met een huisnummer! Een raam! Een zolderraampje! Een dak! Een uitzicht! En dat allemaal van mij! Achter de groene eiken voordeur met klink was een piepklein halletje met een wasbakje en een koudwaterkraantje, waarnaast met veel moeite een butagasfles met een eenpitsgasstelletje geplaatst kon worden. De kont kon men daar verder niet keren.
De huiskamer bevatte veel balken, een bedstee en een oude schoorsteen. In de hoek bevond zich een schuinafgetimmerd hokje met een piepend deurtje ervoor, dat niet dicht kon als men met een schoenmaat groter dan 36 op de poepdoos zat die zich daarachter bevond. De ellende met die doos was alleen dat hij niet meer doorspoelde naar de gemeenschappelijke middeleeuwse beerput. De gemetselde afvoer was ingestort, en de vroedschap kon restauratie niet betalen. Elke drie maanden speelde zich er het volgende tafereel af: ik kleedde me tot aan de nek in vuilniszakken die ik met pleisters aan elkaar geplakt had, en schoof een krappe latex badmuts op het hoofd. Zo kon ik, bijna op de kop staand, in de doos aan het scheppen gaan, en de derrie die ik eruit haalde flatste ik in een plastic zak. Die kieperde ik vervolgens leeg in de singel. Na zon schepsessie duurde het twee dagen voordat de stank uit de huiskamer was getrokken. Ook merkte ik in de eerste strenge winter meteen waarom er bijna geen bejaarden meer woonden: er lag na een storm net zo veel stuifsneeuw binnen als buiten, en ik liep er een acute bronchitis op. Het was er niet warm te stoken, maar ik was er happy.
Ik verfde de muren zwart, paars en oranje, en dat vond het huisje wel leuk, zo bovenop het gebloemde bejaardenbehang.
Naast mij woonde ome Jan, een kleine, norse man met een kogelronde buik en een Stan Laurel-achtige witte haardos. Hij had een kraakhelder interieurtje voor een man alleen en een eigenzinnige levensinstelling. Kwam ik aan de deur dan riep hij in zijn gangetje al: Je hebt toch niet de maand he, buurvrouw, want ik kook erwtensoep. Zijn onwrikbaar bijgeloof vertelde hem dat zijn eten bedierf als er een ongestelde vrouw in ging staan roeren. Hij kon ook de Stones en the Doors bij mij zo waarderen, want dan zette hij altijd loeihard zijn favoriete muziek aan, een jodelplaat van Olga Lowina. Gehorig als de pest, die huisjes.
Aan de andere kant woonde mevrouw Seriese, een schattig klein Indisch vrouwtje. Ze had de gewoonte elke dag haar muren en ramen kleddernat te gooien met talloze emmers water, en daarbij vrolijk te zingen: ‘Het hoeft niet schoon te zijn, als het maar fris is’.
Het was, kortom, opgewekt en gezellig wonen daar met zijn drietjes.
Op oudejaarsnacht vol nattigheid en gure wind werd ik wakker van gepraat in het straatje en dat was vreemd, omdat het doodliep. Ik keek door de luiken naar buiten en zag in het gele schemerlicht van een lantaarn twee mensen in de sneeuw staan, een man en een vrouw.
Ze hielden elkaar stevig vast in een innige omhelzing.
Niks aan de hand.
Net toen ik weer rillend onder de dekens wilde stappen, herkende ik de rechtopstaande witte haardos van mijn buurman, met naast hem de zwarte wrong van Indische buurvrouw. Ze verdwenen samen in het huisje van Jan. Ik bleek ingeklemd te wonen tussen twee minnekozende bejaarden. In mijn oude bedstee kreeg ik het er warm van. Innig tevreden viel ik in slaap, zo het nieuwe jaar in.

Trees Roose

Geen reacties

Wilt u reageren?




Wij plaatsen alleen inhoudelijke reacties. Reacties met voornamelijk slogans en kreten worden niet gepubliceerd.