Oorlogsjaren in Haren – Een vergeten strijder van de Harense ondergrondse
Door Paul de Bie uit Haren
Voorjaar 1996: ik zit met mijn oudoom Victor in de salon van zijn herenhuis in Twello. Vanuit het zijraam kijken we uit op zijn sojafabriek, die op volle toeren draait. ‘De eerste in Nederland!’ vertelt hij trots. Oom Vic, zoals wij hem thuis noemden, is de jongere broer van mijn opa en op zijn 83ste nog steeds een energieke man. We praten over de familie: een geslacht van boomkwekers uit het Brabantse Zundert.

Verborgen verleden
Bij ons thuis werden regelmatig verhalen verteld over Oom Vic: hij zou een belangrijke verzetsstrijder zijn geweest tijdens de oorlogsjaren in Groningen. Ook was bekend dat hij liever niet sprak over dat verleden. Maar als nieuwsgierige twintiger waag ik die middag toch een poging.
De reden van het zwijgen wordt snel duidelijk als verderop in het gesprek de arrestatie van zijn vriend Naber ter sprake komt. Wanneer hij vertelt hoe deze verzetsstrijder tijdens een marteling in het Scholtenshuis uit het raam zijn dood tegemoet springt, schieten de tranen in zijn ogen en zwijgt hij. Ik voel aan dat ik niet moet doorvragen. Toch blijven de verhalen rondgaan, hoewel de naam Victor de Bie in documentatie over de oorlogsjaren nauwelijks voorkomt. Elke keer dat ze ter sprake komen, vraag ik me af wat zich werkelijk heeft afgespeeld.
Het echte verhaal
Dertig jaar later besluit ik mijn familie op te zoeken om de puzzelstukjes bij elkaar te krijgen, voordat dit stuk geschiedenis voorgoed vergeten is. Het is zijn oudste zoon, Jan Roelof, die mij het echte verhaal over deze Harense verzetsstrijder weet te vertellen:
‘Mijn moeder Willy Miedendorp was Groningse. Ze ontmoette mijn vader Victor in Zundert en ze trouwden in 1940. Ze betrokken een huis aan de Onnerweg in Haren (nu Jachtlaan 14) en namen de grossierderij in bakkersartikelen aan de Nieuwe Boteringestraat over van haar vader. In de opslag lag het meel voordat het naar bakkers in de omgeving werd vervoerd. Toen de oorlog uitbrak verstrekten de nazi’s voedsel alleen nog via een bonnensysteem. Zo bemoeilijkten ze dat bijvoorbeeld onderduikers aan eten konden komen. Mijn ouders besloten meel uit de opslag af te tappen en systematisch door te sluizen naar een bakker in Haren. Deze bakker, Brands, bakte er clandestiene broden van die bij onderduikers terechtkwamen. De meelzakken in het depot vulden ze aan met zand.’
Knokploegen
Via deze acties raakt Victor betrokken bij de verzetscel in het gebied ten zuiden van Groningen. Hij voegt zich bij de Landelijke Knokploegen, bouwt thuis een schuilplaats, schaft een stencilmachine aan en begint met het drukken van verzetskrant ‘De Christofoor’. In de omgeving maakt hij schetsen van Duitse verdedigingsstellingen die hij doorbrieft naar Engeland.
Ook zijn inwonende familie is betrokken. Zijn broer Toine weigert de verklaring van loyaliteit aan het naziregime te ondertekenen en vlucht naar Zundert. Daar begint hij, met zijn zussen Wieske en Greetje, Engelse piloten over de grens te smokkelen. Tijdens een overtocht wordt hij echter gearresteerd en gevangengezet in Frankrijk. Dezelfde activiteiten brengen ook Greetje in gevaar en zij vlucht naar Haren, waar ze de verzetskrant begint te verspreiden. Helaas wordt ze tijdens een missie aangehouden. De adressenlijst, die in de holte van haar fietsstuur verstopt zit, slikt ze op het nippertje door. Het komt haar duur te staan: na wekenlange verhoren in het Huis van Bewaring aan de Verlengde Hereweg wordt ze naar werkkamp Wernigerode in Duitsland gestuurd, waaruit ze pas aan het einde van de oorlog vrijkomt.
Op het hoofd van Victor staat inmiddels een hoge prijs. Op een dag wordt hij op de Grote Markt verraden door een overgelopen koerierster. Hij wordt ter plekke gearresteerd. Terwijl hij door soldaten wordt afgevoerd, ziet hij op de hoek van de Boteringestraat zijn kans. Hij rukt zich los en vlucht het hoekpand van grootwarenhuis Burmann in. Door de draaideur een zwiep te geven, creëert hij een voorsprong en ontsnapt via het souterrain. Burmann is één van de vele vluchtroutes die hij bestudeerd heeft. Hij kent het pand als zijn broekzak.
Een inval
Maar ook thuis is hij niet veilig. Zijn zoon Jan Roelof vertelt mij: ‘Ik was een jaar of drie en zat met mijn moeder in de eetkamer. Mijn vader had een bespreking met bakker Brands voorin het huis. Opeens stormt hij binnen: “We hebben een inval!”’ Jan Roelof herinnert zich hoe zijn ouders de trappen opvlogen naar de schuilplaats terwijl gewapende soldaten onder luid geschreeuw de oprit oprennen. ‘Ze sloegen het raam van de voordeur in, drongen het huis binnen en keerden alles ondersteboven. Één soldaat kwam naar mij toe, bood me chocola aan en vroeg of mijn vader thuis was.’
Hij herinnert zich hoe hij de chocola weigerde en alleen maar huilde. Inmiddels was zijn moeder bezweet en met rode wangen naar beneden gekomen, waar ze werd ondervraagd. Over de verblijfplaats van Victor liet ze niets los.
Jan Roelof: ‘De schuilplaats was verborgen achter een opklapbed. Je moest eronderdoor om er via een schuifplank in te komen. Pas als het bed weer opgeklapt was, kon je die van binnenuit vergrendelen. Uiteindelijk hebben de Duitsers het zoeken gestaakt. Waarschijnlijk omdat ze vanwege de rode wangen van mijn moeder vermoedden dat zij een buitenechtelijke relatie had met bakker Brands!’ Hij lacht, maar voegt er serieus aan toe: ‘Ik heb nog jarenlang nachtmerries gehad van dat moment…’
De bevrijding
Direct na de bevrijding van Haren op 15 april 1945 wordt Victor als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten ingezet om de situatie van collaboratie en verzet in kaart te brengen. In die positie wordt hij echter al snel geconfronteerd met schimmige vriendjespolitiek, waarbij heren in hoge posities de dans ontspringen en anderen een oneerlijke behandeling krijgen.
Jan Roelof vertelt: ‘Mijn vader beweerde belastende documenten in handen te hebben tegen een collaborateur in hoge kringen van de Groningse politiek. Op bevel van Den Haag zijn deze op een dag opgehaald door een figuur op een motor.’
Het dossier verdween in een brieventas en er is nooit meer iets over gehoord. De vermeende collaborateur zou later in de Haagse politiek terecht zijn gekomen.
‘En dat terwijl bakker Brands belastingaanslagen kreeg vanwege zwarte handel!
Mijn vader vond het ook ingewikkeld dat zich na de bevrijding plotseling talloze mensen meldden die onterecht beweerden in het verzet te hebben gezeten. Hij was een eerlijke man die zijn leven voor de goede zaak had geriskeerd. Maar na de oorlog ging het gevecht om status en macht op een ander niveau gewoon door. Die desillusie maakte dat hij volledig afstand nam van de politiek en van zijn verzetsverleden.’
Een hoopvolle toekomst
Victor besluit zich te richten op een toekomst met zijn gezin en op het onderzoek naar een nieuwe bonensoort: soja. Met dit zaadje maakte hij kennis via Toine, die in Frankrijk door de Canadezen was bevrijd en als vertaler met hen was opgerukt naar het noorden. De Canadezen verwerkten deze in Europa onbekende peulvrucht in hun rantsoenen. Als kwekerszoon wekt het Victor’s nieuwsgierigheid. Hij begint ermee te experimenteren en het te verwerken in producten die hij langzaamaan in heel Europa verkoopt. Begin jaren ‘60 zoekt hij naar een geschikte fabriek op een centralere plek en vindt die in het Overijsselse Twello. Hij en Willie hebben dan inmiddels zes kinderen, die later allemaal tot hun pensioen in de fabriek blijven werken en tot op de dag van vandaag in Twello wonen.

Bevrijdingsdag!
Geen reacties