Column Hein Bloemink (april 2024)
Artikel 7
In de grondwet staat een artikel waarmee wij niet (meer) kunnen omgaan: artikel 7. Het regelt onze vrijheid van meningsuiting. De vrijheid om in het openbaar je mening te uiten kun je vergelijken met een geladen pistool: je moet er verantwoord mee omgaan om slachtoffers te voorkomen. Het geven van je mening is volgens mij alleen nuttig als er een doel mee wordt gediend. In een discussie kunnen meningen helpen om beleid te bepalen, bijvoorbeeld. Met de komst van social media is er iets misgegaan met artikel 7. Meningen werden steeds meer in het openbaar geuit zonder daarmee een specifiek doel te dienen, behalve dan de bevrediging van toetsenbordridders. Artikel 7 werd de legitimatie van het ongevraagd rondbazuinen van meningen door mensen die een gedachtewisseling zien als een duel op leven en dood. Artikel 7 is verworden tot een vrijbrief om politici, overheid en andere mensen te beledigen, krenken en bedreigen. Artikel 7 is gekaapt door mensen die menen anderen een dienst te bewijzen met hun online-drollen. Het is zo jammer, want in de kern zit dit niet in de menselijke natuur. Immers, tegen mensen (live) geef je toch ook geen ongevraagde meningen? Je denkt er misschien het jouwe van, maar zegt het niet omdat dit het samenzijn kan verstoren. Op straat spreek ik een wildvreemde vrouw nooit aan om even te zeggen wat een vreselijke jurk zij draagt. Ik zie geen belang om haar te kwetsen, ook al heb ik dankzij artikel 7 het recht om dat wél te doen. Als er een nare vlek op het pak van mijn collega zit zal ik dat natuurlijk wél zeggen, omdat die openheid dan een nobel doel dient. Artikel 7 richt grote schade aan en zou moeten worden herschreven: “Een mening mag openbaar worden verkondigd als bewezen kan worden dat daarmee de wetenschap wordt gediend of de samenleving er zijn voordeel mee kan doen.” Deel bij voorkeur je mening met iemand die tegenover je zit.
1 reactie