De krant die je leest van A tot Z
Vrijdag 1 Mei, 2026
Deze post is bekeken 351 keer.

dinsdag 23 juli 2013

Nieuws:

Fietsen rond Glimmen, verhaal van Renneke Bakker

Door: Redactie

Renneke Bakker fietste met haar vader door Glimmen. Er kwamen verhalen los over het verleden, opgeslagen in het geheugen van haar vader. Ze schreef de herinneringen op. Hieronder haar relaas. Zie ook:  https://www.facebook.com/renneke.bakker

Huis te Glimmen

Door Renneke Bakker

 

Vorige week zondag, aan het eind van de middag, had ik zin om naar de Vosbergen te fietsen. Het was een zomerse dag, de zon scheen en de warmte hing loom tussen de huizen. Ik belde mijn vader en vroeg of hij zin had om mee te gaan. “Hoe laat?” vroeg hij. Ik zei dat ik met een half uur, drie kwartier bij hem kon zijn. Toen ik in Haren kwam, stond de fiets van mijn vader al op de oprit, met zelfs een fietspomp in een fietstas omdat de achterband een beetje zacht was. Alles was klaar voor de expeditie, alleen het kompas en de stafkaart ontbraken nog 🙂

 

We fietsten over de Nieuwlandsweg, langs Sassenhein, in de richting van Glimmen. Mijn vader reed voorop, en ik fietste achter hem aan, door een overweldigend mooi en lieflijk landschap. Vlak voor het Quintusbos in Glimmen sloeg mijn vader niet rechtsaf naar de Vosbergen, maar linksaf naar de Rijksstraatweg. “Hee, waar ga je nou heen?” riep ik. Maar mijn vader had kennelijk een route in zijn hoofd waarvan hij niet wilde afwijken. We kwamen uit bij dat typische boerderij-huis met die ronde voorkant, wit, met een rieten dak. “Hier woonde meneer Goedhart” zei mijn vader. Meneer Goedhart? (*) Ik kon mij niet herinneren dat ik ooit van hem gehoord had. “En wie is meneer Goedhart?” vroeg ik. Mijn vader vertelde dat meneer Goedhart vroeger in het Noorderlijk Filharmonisch Orkest speelde. “Maar hoe kende jij hem dan?” vroeg ik ongeduldig. “Nou” zei mijn vader, “hij speelde in het Noordelijk Filharmonisch Orkest”. “Maar wat speelde hij dan? Welk instrument?”. Dat wist mijn vader niet, en dat deed er volgens hem ook helemaal niet toe. Hij draaide voorbij dat huis het Quintusbos weer in.

*Note redactie: De familie Goedhart woont nog steeds in het witte huis aan de rand van het bos. De heer Goedhart was vroeger directeur van het conservatorium te Groningen.

 

Mijn vader reed voor mij uit over de smalle paadjes van het Quintusbos. Soms hield hij even stil om mij wat te vertellen of te laten zien. “Vroeger moesten we soms het bos schoonmaken” zei mijn vader, “daar kreeg oom Gerrit vijfentwintig gulden voor”. Ik keek verbaasd om mij heen. “Het bos schoonmaken?” vroeg ik, “wat moesten jullie dan doen?”. Mijn vader vertelde dat ze alle bladen en takken van de paden moesten vegen en de paden moesten aanharken. “Dat was een enorm karwei, er leek maar geen einde aan te komen!”. Oom Gerrit (Vrieling) was boswachter van het Quintusbos. “Als er een boom was omgewaaid, moest oom Gerrit die binnen een dag weghalen, om te voorkomen dat er ongedierte in de andere bomen zou komen. Hij moest dan binnen een dag die boom met de hand in hanteerbare stukken zagen en die stukken met een paard het bos uitslepen”. Ik luisterde vol ongeloof. Zowel mijn vader als mijn moeder hebben mij regelmatig verteld over de klussen die mijn grootouders aannamen om maar wat geld te verdienen, klussen die zij als kind moesten doen: aardappels met de hand rooien, sloten uitbaggeren en dus ook een bos schoonmaken.

 

Ik vroeg aan mijn vader wat ze in het bos deden als ze er speelden. “We speelden hier alleen in de vakanties” zei mijn vader, “en dan gingen we vaak spoorzoeken, met schoenpoets op onze gezichten”. Hij vertelde over ‘de elf-bomen-tocht’ waarbij ze van de ene boom naar de andere boom moesten, zonder de grond te raken, elf bomen lang. “En soms waren er andere jongens in het bos, die moesten er dan natuurlijk uitgejaagd worden”. Soms kwamen ze met de broekzakken vol tamme kastanjes thuis. Mijn vader was van al die kinderen niet de oudste, “maar ik was wel de aanvoerder”. Mijn vader kennende was hij degene die met de ideeën kwam.

 

We kwamen bij de plek waar nu een patserige villa staat, waar vroeger het huisje van oom Gerrit en tante Tine stond, waar ze met hun dertien kinderen woonden. Mijn vader sloeg de weg in die lángs de villa ging, een weg die ik niet kende. “Waar gaat dit heen?” vroeg ik, ik kreeg het unheimische gevoel dat we op privéterrein waren. “Huis te Glimmen” zei mijn vader. Ik was een en al vraagteken. ‘Huis te Glimmen’ zei mij alleen heel vaag iets. Ik realiseerde mij ineens dat ik helemaal niet wist wat dat Huis te Glimmen nou precies was, waar het stond of hoe het er uit zag. Ik heb voor mijn eigen woonplaats Haren een gigantische blinde vlek. Ergens diep in mij zit de vastgeroeste overtuiging dat in Haren niets goed kan zijn. Zo ‘ontdekte’ ik pas een aantal jaren geleden dat in de Hervormde kerk van Haren een mooi, oud Hinsz-orgel staat, van de categorie waarvoor ik in het verleden vaak diep de provincie in fietste. En van die oude romaanse kerkjes, waarvoor mijn vader en ik een paar keer speciaal naar Ost-Friesland waren gegaan, staat er ook eentje in het centrum van mijn eigen geboortedorp! Het is net of ik in die negentien jaar dat ik in Haren heb gewoond, alleen vervelende, lelijke dingen heb meegemaakt en gezien.

 

We fietsten over een hele lange oprijlaan. Halverwege stonden twee boerderijen, de zogenaamde schathuizen. In vorige eeuwen stonden op een landgoed boerderijen die moesten zorgen voor de bevoorrading van het landhuis: de schathuizen. De boeren op die boerderijen pachtten het land van de landheer en moesten voor hem werken. Ik werd steeds benieuwder naar dat Huis te Glimmen – dat ik waarschijnlijk dus nog nooit gezien had! Ineens stonden we voor een ophaalbrug. Achter de brug, verscholen in het groen, stond zo’n typisch Groningse borg; zo eentje als bij Leens (Verhildersum) staat, zo’n landhuis op een eilandje met een slotgracht er om heen.

 

Ik wist niet hoe snel ik van mijn fiets moest afstappen. Mijn vader had zijn fiets al aan de kant staan en was in de richting van de brug gelopen, aarzelend. Eerst viel het mij niet op, pas later realiseerde ik mij wat er toen gebeurde. “Ben jij wel eens binnen geweest?” vroeg ik aan mijn vader. Mijn vader draaide zich geschrokken om. “Nee!” riep hij verschrikt. Halverwege de brug draaide hij zich weer om en liep terug. Ik liep over de brug naar het hek. “Hee, het zit los” zei ik. Ik duwde het prachtige gesmede hek open en liep naar binnen. “Niet doen!” hoorde ik mijn vader achter mij roepen, “dit is privé-terrein, kom terug!”. Rechts voor het huis stond een auto geparkeerd. Ik keek over mijn schouder naar mijn vader die alweer bij zijn fiets stond. Het liefst had ik bij het huis aangebeld en om een rondleiding gevraagd – de broer van mijn oma had hier toch zijn hele leven gewerkt? Maar mijn vader stond ongeduldig op mij te wachten. Er was iets onderdanigs in zijn houding dat ik nog nooit bij hem had gezien. Ik maakte een paar foto’s en liep terug naar mijn fiets.

 

“Ik ben misschien vier keer in mijn leven over die brug geweest” zei mijn vader na een tijdje, toen we de oprijlaan weer af fietsten. Op mijn verzoek fietsten we nog even de Puntersweg in, om te kijken of we de achterkant van het huis konden zien; de Drentse Aa stroomt achter het huis langs. Maar ook daar benam een groene wildernis ons het zicht op het landhuis. ”Heb je de bewoners wel eens gezien?” vroeg ik. Eigenlijk wist ik het antwoord al wel. “Nee” zei mijn vader, “maar dat waren echte slavendrijvers, ze waren in Nederlands-Indië geweest”. Hij vertelde dat oom Gerrit nooit echt klaar was met het werk: “Je had toen nog geen arbeidstijden of een acht-urige werkdag. Altijd was hij bezig, met de dakgoten leegmaken, de ramen lappen, de tuin en al die andere klussen die gedaan moesten worden”. Grinnikend vertelde hij dat een neef van hem, een zoon van oom Gerrit, na de mulo als leerling op een accountantskantoor ging werken. “Na een maand kreeg hij zijn eerste maandloon, en toen ontdekte hij dat hij anderhalf keer zoveel verdiende als zijn vader. Verontwaardigd ging hij naar de landheer van Huis te Glimmen, de baas van zijn vader. Hij werd nog net niet van het landgoed afgeschopt. Maar daarna verdiende oom Gerrit wel meer”.

 

Mijn vader vertelde dat in deze regio veel landhuizen staan “maar dit is het enige huis dat aan de oostkant van de Drentse Aa staat”. Veel van die landhuizen waren van reders die twee, drie coasters in de vaart hadden; coasters die op de scheepswerven aan het Winschoterdiep werden gebouwd. Volgens mijn vader gebeurde het regelmatig dat de architect van het huis ook het meubilair in het huis ontwierp dat dan vervolgens door de scheepstimmerman van de werf werd gemaakt: “Er zijn in Haren aardig wat van die huizen waarin meubels staan die speciaal voor dat huis zijn ontworpen en gemaakt. Camphuis, je weet wel, die van die meubelzaak, begon als scheepstimmerman opj de scheepswerf van Pattje, ging meubels maken en had op een gegeven moment vijfenveertig man personeel in dienst”. Mijn vader vertelde dat de meeste huizen tegenwoordig van de Gasunie zijn.

 

We fietsten over de oude weg naar de Vosbergen. Halverwege stopte mijn vader ineens. “Het hek is los” zei hij verbaasd. Langs de weg was een klein hekje dat open stond. Mijn vader bedacht zich niet en sloeg het paadje in – zo kende ik mijn vader weer! We kwamen bij een of ander landhuis uit met een paar (koets?)huisjes er naast. Achter één van die huisjes zaten mannen te barbecuen. “Mag ik een paar foto’s van het huis maken?” vroeg ik. Ik vond toen al dat ze gek reageerden, maar ik kon mijn foto’s maken. Pas toen ik het huis aan de voorkant zag, herkende ik het: het waren de gebouwen van verslavingskliniek Hoog Hullen. “Nou” zei ik tegen mijn vader, “als je op z’n mooie plek nog niet van je verslaving af komt, lukt het nergens!”.

 

Ik fietste achter mijn vader aan die dit gebied op zijn duimpje kende; ik was hier nog nooit geweest! Mijn vader vertelde dat in dit gebied vroeger turf werd afgegraven, dat de grond daarom lager was, of dat er plassen waren ontstaan (zoals Sassenhein). De Witte Molen aan het Noord-Willemskanaal heeft veel weilanden drooggemalen. We kwamen even later uit bij een plas waar volgens mijn vader vroeger een camping was. Ik keek verlekkerd naar de plas met de groene randen. “Wat moet dat een super-camping zijn geweest!” zei ik. De plas is nu privé-bezit, het gebied was afgezet met prikkeldraad. “In de oorlog zaten hier natuurlijk de moffen” zei mijn vader, “die zaten op alle mooie plekjes in Haren”.

 

Over Paterswolde, door landgoed De Braak, voor het Martiniziekenhuis langs fietste ik weer terug naar huis. Eenmaal thuis kon ik haast niet meer rechtop staan van de pijn in mijn rug. Toch ging ik meteen informatie zoeken over het Huis te Glimmen. In het boek van mijn tante (‘Rondom het haventje in Haren’, Hillechien Bremer-Bakker, 2001, Profiel Uitgeverij Bedum, ISBN 90 5294 233 1) staat een apart kadertje met informatie over het Huis te Glimmen. Ook wikipedia heeft er een hoofdstuk over. Maar deze informatie riep bij mij weer nieuwe vragen op. Want dat bijzondere huis aan de Rijksstraatweg, waar die meneer Goedhart heeft gewoond die, Ooit, Iets, in het Noorderlijk Filharmonisch Orkest had bespeeld, heet – vond ik op internet – de boswachterswoning van Huis te Glimmen. Mijn vaders oom wás die boswachter, waarom woonde hij daar dan niet? En het huisje waarin hij wél woonde, dat afgebroken is, heette de tuinmanswoning: dat werd speciaal voor oom Gerrit en tante Tine gebouwd, toen de eigenaren zelf op het Huis gingen wonen (daarvoor woonden oom Gerrit en tante Tine in het koetshuis dat vóór het Huis op dat eilandje staat). Ach, eigenlijk snapte ik het wel: Oom Gerrit was officieel boswachter, maar moest in de praktijk gewoon al het werk doen dat er maar te doen viel: in het bos, in de tuin, bij het huis. In een tijd zonder telefoon was het natuurlijk handig dat zo iemand dichtbij woonde. Die juffers en jonkers van het Huis te Glimmen boften maar met die dertien kinderen van oom Gerrit, want dat waren dertien paar extra handen om het werk te doen! Een feodale situatie van nog geen eeuw geleden waarvan ik nu, in de eenentwintigste eeuw, misselijk word!

 

Later die week vertelde mijn vader dat in die boswachterswoning de vorige boswachter/tuinman woonde, en dat de Huiseigenaren te allen tijde in de voorkamer mochten komen theedrinken (!!!). “Het gebouw is van oorsprong een theekoepel” zei mijn vader. Maar hij vertelde ook dat mensen vroeger maar wat graag voor het Huis te Glimmen wilden werken. “Als je daar werkte, wist je zeker dat je een goede oudedagsvoorziening had. Herinner je je dat kleine sigarenwinkeltje nog, op de hoek van de Meerweg en de Rijksstraatweg? Dat was het winkeltje van de dames Blijham. Die hadden hun hele leven op Huis te Glimmen gewerkt, en toen ze een jaar of zeventig waren, kregen ze dat winkeltje, om op hun oude dag in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Het waren andere tiiden toen, je had toen nog geen AOW”. Mijn vader had het ook nog over een knecht die te oud was geworden om nog op Huis te Glimmen te werken, voor wie in Glimmen een slagerij werd gekocht. “Maar dat is toch best een zwaar beroep” zei ik, “kon hij dat dan nog wel doen?”. “Ach jawel” zei mijn vader, “hij had een vrouw en kinderen, en die hielpen natuurlijk ook”.

 

De volgende keer ga ik weer in de Vosbergen fietsen met mijn vader – ik ben benieuwd wat ik dan allemaal nog ontdek 🙂

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Huis_te_Glimmen

 

 

6 reacties

G.D.Kuipers zegt:

Dat was een mooi verhaal mevrouw Bakker. Sinds 15 jaar wonen mijn echtgenote en ik in Haren. Zoals meer bekend, gekomen van elders. En ook iets ouder als u. Wij zijn, net als u, blij dat we in Haren mogen wonen. Dat, zal uw vader u vermoedelijk ook vertellen, is de ontwikkeling van de laatste tientallen
jaren. Fiets graag weer met uw vader mee. Hij kan u vermoedelijk nog veel meer vertellen over toen, en het verschil met nu. En laat het ons weer weten.
G.D.Kuipers

Tjaart Vrieling zegt:

Als achterneef van Renneke en als een vsn de “dertien” wil ik graag reageren op je verhaal van 23 juli. We vinden het een mooi verhaal en herkennen ons in je beschrijvingen. Zo ben ik wel eens binnen geweest in het huis te Glimmen. Het oude boek (perkament) waarin met ganzenveer geschreven en getekend is, lag geopend op een speciale plaats in de kamer voorin rechts. Hierin staan prachtige tekeningen en verhalen van boten e.d. van Michiel de Ruyter, een verre voorouder van de bewoner Mevr. de Ruyter de Wildt.
War het boek geblevenis …?
Tjaart Vrieling

Henk Vrieling zegt:

Door de bank genomen lees ik dit soort verhalen ook met belangstelling, zeker wanneer ik er zelf deel van uit heb gemaakt. Daarom acht ik het van belang aan te geven dat het verhaal hier en daar niet klopt en dat ik de beschrijving (“patserige villa”) van de woning, die nu op de plek staat van ons geboortehuis, niet correct vind. Het suggereert dat de huidige bewoners patsers zijn en dat zijn ze verre van dat! Misschien is het een goede tip zo’n onschuldig verhaal over iemand anders eerst even te checken bij hen die het kunnen weten. De schrijfster weet, zeker via de meefietsende vader, hoe die te bereiken zijn.

iet van der laan-smid zegt:

Wat een prachtig verhaal over mijn geboorteplaats glimmen. Mijn vader Rieks Smid kwam regelmatig in Huis te Glimmen.Wij hadden het bedrijf H.Smid installatiebureau.
Ik weet nog dat hij altijd met mooie verhalen thuis kwam als hij bij de fam. Ruiter de Wildt de nodige klussen moest doen. Er werd erg opgekeken naar deze familie, in onze ogen een zeer rijke familie natuurlijk. Jammer, mijn vader in overleden. Anders had hij zeker nog over huis te Glimmen kunnen vertellen.

9752KJ Annalies Pomp zegt:

Hoi Renneke,
Dat was echt genieten van je verhaal over Glimmen, mijn dochter woont er tegenover het Quintusbos ik laat haar hond er wel eens uit.
Vroeger kwam ik vaak bij de winkel van je vader op het hoekje van de Hertenlaan.
Wat een mooie foto van het bankje .
Geniet van de wandelingen in Glimmen .
Groeten,
Annalies Pomp-Outhuijse
Haren

9752KJ Annalies Pomp zegt:

Renneke , ik heb genoten van je verhaal!
Groeten,
Annalies Pomp

Wilt u reageren?




Wij plaatsen alleen inhoudelijke reacties. Reacties met voornamelijk slogans en kreten worden niet gepubliceerd.